Voorafname van de schuldvordering op de opbrengst van een handelszaak

De procedure van de gerechtelijke reorganisatie is algemeen bekend. Het doel hiervan is om een opschorting van betaling in te lassen voor een bepaalde periode, waardoor de schuldenaar een adempauze krijgt waarin hij zijn financiële problemen kan remediëren. Een gerechtelijke reorganisatie biedt evenwel geen garantie op een positieve uitkomst. Helaas bestaan er tal van voorbeelden waarbij een gerechtelijke reorganisatie uiteindelijk toch uitmondt in een faillissement. Hoe zit het in een dergelijk geval met de rechten van een boedelschuldeiser versus de rechten van een separatist?

Art. 37 WCO[1] reguleerde vroeger de situatie van schuldvorderingen voor prestaties die werden geleverd tijdens de gerechtelijke reorganisatie indien op deze reorganisatie alsnog een faillissement volgde. Momenteel is deze regeling opgenomen in art. XX.58 WER, dat sedert 1 mei 2018 in werking is getreden.[2]  Hoewel deze regeling aldus is overgenomen in het nieuwe faillissementsrecht, is de inhoudelijke bewoording nagenoeg hetzelfde gebleven.

Art. XX.58 WER bepaalt dat prestaties uitgevoerd tijdens de gerechtelijke reorganisatie als een boedelschuld worden beschouwd indien er een faillissement volgt. Als schuld van de boedel, zal deze schuldvordering voorafgaan op de schuldvorderingen in de boedel.[3] De achterliggende bedoeling van deze regelgeving was om ervoor te zorgen dat derden/medecontractanten van de schuldenaar toch met deze laatste zouden blijven handelen, ook al bestaat er een risico dat de gerechtelijke reorganisatie zou mislukken. Op deze manier kan de schuldenaar immers blijvend inkomsten verwerven, waardoor de kans groter is dat hij zijn schulden zal kunnen regelen.[4]

Daarnaast kan een separatist, die bijvoorbeeld beschikt over een pandrecht of een hypotheek, in bepaalde gevallen worden gedwongen om zijn opbrengsten te delen met voormelde boedelschuldeisers, indien deze laatste hebben bijgedragen tot het behoud van het goed waarop het zakelijk recht is gevestigd. Dit noemt men ook de voorafname van de schuldvordering op de opbrengst van een handelszaak.

Lange tijd bestond er geen duidelijke richtlijn hoe een rechter deze bepaling diende te interpreteren en toe te passen. In principe kon een rechter vrij een criterium kiezen om zich op te baseren, zoals een stijging van de waarde van het onderpand. Soms werd er evenwel ook voor een minder concreet criterium gekozen, waardoor er allesbehalve rechtszekerheid heerste.

Het Hof van Cassatie bracht in 2014 enige duidelijkheid.[5] Het eigen criterium van het Hof kan als volgt worden omschreven: schuldvorderingen die beantwoorden aan prestaties verricht jegens de schuldenaar tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie moeten hebben bijgedragen tot het behoud van de zakelijke zekerheid. Dit bijdragen tot het behoud van de zekerheid is een noodzakelijke, maar voldoende voorwaarde.

De rechtszekerheid werd door dit arrest van het Hof van Cassatie evenwel maar een weinig geholpen, vermits “bijdragen tot behoud van de zakelijke zekerheid” nog op tal van manieren kan worden geïnterpreteerd. Dit bleek ook in de praktijk nog steeds het geval.

In een arrest van 22 februari 2018 heeft het Hof van Cassatie dit criterium nog verscherpt.[6] Het Hof oordeelt het volgende: “indien het zekerheidsrecht betrekking heeft op het geheel of een gedeelte van de activa van een onderneming, zoals een pand op een handelszaak, dan dragen de prestaties geleverd tijdens de periode van opschorting ertoe bij dat de handelsactiviteiten kunnen worden voortgezet met alle risico’s van dien, maar heeft dit daarom niet tot gevolg dat de economische waarde van deze activa wordt bewaard in het vermogen van de onderneming.” De wederpartij dient in concreto aan te tonen dat de geleverde prestaties de economische waarde van het voorwerp van het zekerheidsrecht hebben bewaard. Hoe de betreffende partij dit bewijs dient te leveren, wordt evenwel wederom niet verduidelijkt.

Het is aldus opvallend dat de tendens tegenwoordig lijkt te verschuiven naar meer bewijs- en cijfermateriaal dat dient te worden geleverd door de boedelschuldeisers, vooraleer zij een voorafname op de separatisten kunnen verkrijgen. In tegenstelling tot de ruime beoordelingsvrijheid waarover de rechtbanken vroeger beschikten, wordt deze voorwaarde op heden aldus veel strikter geïnterpreteerd.

 

Lieze Mondelaers

Advocaat

 

 

[1] Art. 37 wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, BS 9 februari 2009.

 

[2] Art. XX.58 wetboek van economisch recht van 28 februari 2013, BS 29 maart 2013 zoals gewijzigd door de wet van 11 augustus 2017 houdende invoeging van het Boek XX "Insolventie van ondernemingen", in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht, BS 11 september 2017.

[3] A. De Wilde, Boedelschulden in het insolventierecht, Antwerpen, Intersentia, 2005, 135-136.

[4] C. Van Den Broeck, “De WCO en boek XX WER: inleiding, algemeen concept en inwerkingtreding” in H. Braeckmans, F. De Tandt, E. Dirix, E. Van Camp en T. Lysens (eds.), Faillissement en reorganisatie, Mechelen, Kluwer, losbl., 63.

[5] Cass. 28 februari 2014, Arr.Cass. 2014, 563.

[6] Cass. 22 februari 2018, RW 2018-19, afl. 23, 899.