Hoe effectief is een effectieve gevangenisstraf?

De hogere wiskunde van de strafuitvoering

Een van de meest gestelde vragen bij een veroordeling tot een gevangenisstraf - of men nu aan de zijde van het slachtoffer staat of aan de zijde van de dader -, is de vraag of men ook effectief naar de gevangenis moet en zo ja, hoe lang.

De straf die effectief moet worden uitgevoerd is in de praktijk immers niet gelijk aan de straf die door de rechter werd uitgesproken. Beiden liggen soms zelfs mijlenver uit elkaar, hetgeen niet alleen onduidelijkheid maar ook frustratie en een gevoel van straffeloosheid teweegbrengt. Een veroordeling tot twee jaar effectief betekent niet noodzakelijk dat de veroordeelde twee jaar naar de gevangenis moet. Recht en wiskunde hebben een moeilijke verstandhouding.

Om te weten hoe definitief het verdict is, moet men in de eerste plaats een onderscheid maken tussen straffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte ten hoogste 3 jaar bedraagt en straffen boven de 3 jaar.

De wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf bepaalde dat de strafuitvoering en invrijheidstelling voor alle vrijheidsstraffen onder de bevoegdheid van een rechter valt. De kaap van 3 jaar was daarbij cruciaal: gaat de totale duur van de vrijheidsstraf de 3 jaar te boven, dan zetelt de strafuitvoeringsrechtbank (SURB). Blijft de totale duur van de vrijheidsstraf onder of gelijk aan drie jaar, dan is de strafuitvoeringsrechter (SUR) alleen bevoegd.

Echter, de instelling van deze strafuitvoeringsrechter (SUR) liet in de praktijk op zich wachten. De inwerkingtreding van de betreffende artikelen werd stelselmatig verschoven, zodat de strafuitvoering van de korte straffen (tot 3 jaar) in handen bleef van de uitvoerende macht. Concreet betekent dit dat tot op heden de administratie van het gevangeniswezen (de gevangenisdirecteur) de beslissing neemt m.b.t. de uitvoering van straffen tot maximaal 3 jaar. Dit gebeurt op basis van ministeriële omzendbrieven (omzendbrief nr. 1817 van 15 juli 2015, aangepast in de ministeriële omzendbrief nr. 1817bis van 29 april 2016).

 

Hoeveel van de opgelegde straf moet uitgevoerd worden?

In principe kan men na 1/3de van zijn straf in vrijheid worden gesteld. Omwille van de overbevolking wordt, voor veroordeelden die één of meer straffen ondergaan waarvan het uitvoerbaar deel maximaal 3 jaar bedraagt, evenwel tijdelijk afgeweken van de toelaatbaarheidsdata voor de voorlopige invrijheidstelling (VI).

Sedert 8 juni 2017 gelden de volgende regels:

Veroordeling van > 6 maanden en ≤ 7 maanden: na 1 maand hechtenis

Veroordeling van > 7 maanden en ≤ 1 jaar: na 2 maanden hechtenis

Veroordeling van > 1 jaar en ≤ 2 jaar: na 4 maanden hechtenis

Veroordeling van > 2 jaar en ≤ 3 jaar: na 8 maanden hechtenis

Onder de 4 maanden wordt de gevangenisstraf in principe niet uitgevoerd en zoals hierboven blijkt, blijft voor straffen tussen de 6 maanden en de 3 jaar de 1/3de- regel niet overeind.

Wie de dag van vandaag veroordeeld wordt tot een gevangenisstraf van bv. 24 maanden, zal de straf na 4 maanden (zijnde 1/6de van de door de rechter opgelegd straf) uitgevoerd hebben.

 

Waar moet de opgelegde straf uitgevoerd worden?

Daarenboven, voor de duur die wel effectief moet worden uitgezeten, zal de veroordeelde dit, behoudens in bepaalde gevallen waaronder zedenfeiten, niet in de gevangenis maar thuis met een enkelband kunnen doen.

Wie vandaag een gevangenisbriefje ontvangt voor een vrijheidsstraf van maximaal 3 jaar en zich binnen de vijf dagen in de gevangenis aanbiedt, bekomt immers dezelfde dag (indien men een verblijf in België heeft) strafonderbreking met toekenning van elektronisch toezicht. Dit elektronisch toezicht wordt doorgaans enkele maanden later geïnstalleerd. Op die manier wordt de door een rechter uitgesproken effectieve gevangenisstraf in de praktijk automatisch omgezet naar een enkelband van veel kortere duur, zonder dat een rechter daarover een beslissing neemt.

Wie bv. veroordeeld wordt tot een effectieve gevangenisstraf van 12 maanden, zal daarvan (behoudens uitzonderingen) 2 maanden met een enkelband moeten uitvoeren (zijnde 1/5de van hetgeen de rechter had uitgesproken).

Zoals hoger aangegeven, geldt dit systeem niet ingeval van een veroordeling tot een gevangenisstraf waarvan het uitvoerbaar gedeelte hoger dan 3 jaar is. In dat geval start de strafuitvoering in elk geval in de gevangenis en dient de strafuitvoeringsrechtbank tussen te komen om na bepaalde tijdsvoorwaarden strafuitvoeringsmodaliteiten toe te kennen. Reden waarom rechters soms een straf van 37 maanden opleggen ter omzeiling van de klip van 3 jaar.

 

Wat verandert er vanaf 1 oktober 2020?

Met een op 17 april 2019 goedgekeurd wetsvoorstel beoogt de wetgever om ook voor korte gevangenisstraffen een halt toe te roepen aan het thans heersende gevoel van onduidelijkheid en straffeloosheid. Meer bepaald beoogt dit wetsvoorstel om de 13 jaar geleden in het leven geroepen strafuitvoeringsrechter (SUR) effectief in werking te stellen.

Tevens zou ook voor vrijheidsstraffen tot maximaal 3 jaar een einde gesteld worden aan de automatische omzetting in elektronisch toezicht. Deze omzetting blijft nog mogelijk, maar slechts na beslissing door de strafuitvoeringsrechter (SUR).

Voor straffen tot 18 maanden kan de veroordeelde - vóór hij zich in de gevangenis aanbiedt - een schriftelijke aanvraag doen voor het verkrijgen van een enkelband of beperkte detentie.

Voor een veroordeling tussen de 18 en 36 maanden, zal de veroordeelde altijd naar de gevangenis moeten en daar de strafuitvoering starten.

Na 1/3de van de straf wordt een vervroegde vrijlating mogelijk (6 maanden daarvoor een enkelband). De beslissing daartoe ligt in handen van de strafuitvoeringsrechter, via een schriftelijke procedure, na advies van de gevangenisdirectie, eventueel na advies van het openbaar ministerie en indien nodig na een rapport van de justitiehuizen.

Een beslissing betreffende een vervroegde invrijheidsstelling zal voor iedereen (ook veroordeelden tot straffen tot ten hoogste 3 jaar) inhouden dat er een proeftijd wordt bepaald waarin voorwaarden stipt moeten worden nageleefd.

De inwerkingtreding van deze wet is voorzien op 1 oktober 2020. De haalbaarheid wordt sceptisch onthaald gezien de gevangenissen nu reeds uit hun voegen barsten. Minister van Justitie Geens belooft alvast om de nodige budgetten en personeelsleden te voorzien opdat daad bij woord kan worden gevoegd. Op de achtergrond klinken de verkiezingsklokken…

 

Lore Gyselaers

Advocaat