Het nieuwe huwelijksvermogensrecht

I. Ten geleide

Het is ondertussen al ruim 40 jaar geleden dat het huwelijksvermogensrecht door de wetgever nog eens onder handen genomen werd. De laatste grote hervorming gebeurde door de wet van 14 juli 1976. Het bevatte echter verouderde en onvolkomen regelgeving, die in de praktijk voor een groot aantal problemen zorgde. Zo was het statuut van verschillende goederen en rechten in het wettelijk stelsel onduidelijk, onvolledig of omstreden. Verder bood het uiterst summiere wettelijk kader van het stelsel van scheiding van goederen geen aanknopingspunten voor echtgenoten die een zuivere scheiding van goederen wilden milderen. Daarnaast bracht ook de recente hervorming van het erfrecht met zich mee dat verder diende te worden gezocht naar nieuwe evenwichten binnen de familiale relaties.

Vanuit deze vaststellingen koos de wetgever er voor om een oplossing te zoeken voor de voornaamste knelpunten, eerder dan over te gaan tot een globale hervorming van het wettelijk stelsel. De hervorming door de wet van 22 juli 2018 werd dan ook opgebouwd rond de volgende drie hoofddoelstellingen, met name

(1) een verfijning van de regels van het wettelijk stelsel, dat blijft berusten op drie vermogens, met name het eigen vermogen van elk van de echtgenoten en het gemeenschappelijk vermogen,

(2) een betere wettelijke omkadering van het stelsel van scheiding van goederen en van de bedingen die de echtgenoten daaraan kunnen toevoegen en,

(3) in het verlengde van het nieuwe erfrecht, een verderzetting van de zoektocht naar nieuwe evenwichten inzake de positie van de langstlevende echtgenoot in het huwelijksvermogensrecht en het erfrecht.

In deze bijdrage wordt enkel stilgestaan bij de belangrijke aanpassingen aan het wettelijk stelsel (punt 1) om aan voormelde drie doelstellingen tegemoet te komen.

Er wordt binnen deze bijdrage geen verdere aandacht besteed aan de wijzigingen die door de wet van 22 juli 2018 werden aangebracht aan het stelsel van scheiding van goederen (punt 2) of aan het nieuwe erfrecht (punt 3). Deze toelichting zal voorwerp uitmaken van een bijdrage in één van de volgende nieuwsbrieven.

De nieuwe huwelijksvermogensrechtelijke regels zijn enkel van toepassing op echtgenoten, gehuwd vanaf 1 september 2018; op echtgenoten gehuwd vóór 1 september 2018, die vanaf die datum overgaan tot een wijziging van hun huwelijksvermogensstelsel met een ontbinding van het vorige stelsel tot gevolg; op echtgenoten van wie het huwelijksvermogensstelsel wordt ontbonden na 1 september 2018.

II. Verfijning van de regels van het wettelijk stelsel

De wetgever blijft van oordeel dat het wettelijk stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten het best beantwoordt aan de wensen en noden van een doorsnee gezin: enerzijds bevestigt het de solidariteit tussen de echtgenoten door het gemeenschappelijk maken van het vermogen dat tijdens het huwelijk wordt opgebouwd; anderzijds blijft het vermogen dat niet aan het huwelijk verbonden is (het voorhuwelijkse vermogen; vermogen verworven door schenking, erfenis of testament; strikt persoonlijke goederen) apart gehouden.

Het onderscheid tussen de verschillende vermogens, is in de praktijk echter niet altijd even duidelijk, zeker niet wanneer er allerlei constructies worden opgezet waardoor één van de betrokken vermogens strikt juridisch gezien niet (meer) in handen van de betrokken echtgenoten ligt.

Om aan deze onduidelijkheden te verhelpen en het statuut van voormelde goederen en rechten meer samenhangend te maken, werd het wettelijk stelsel op volgende drie vlakken verfijnd:

(1) kwalificatie van de goederen,

(2) huwelijksvermogensrechtelijke neutraliteit van de beroepsuitoefening via een vennootschap,

(3) correcte toekenning van de beroepsinkomsten aan één van de verschillende vermogens.

II.1 Kwalificatie van de goederen

In het wettelijk stelsel worden alle goederen geacht gemeenschappelijk te zijn, tenzij wordt aangetoond dat ze eigen zijn omwille van hun oorsprong (voorhuwelijkse, geschonken of geërfde goederen), dan wel omwille van hun aard (accessoria van eigen goederen en strikt persoonlijke goederen).

Vooral het statuut van schade- en arbeidsongevallenvergoedingen, beroepsgoederen, aandelen, cliënteel en individuele levensverzekeringen, gaf onder het oude huwelijksvermogensrecht aanleiding tot controverses in rechtspraak en rechtsleer.

De wetgever heeft bij wet van 22 juli 2018 een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de hoedanigheid van houder, het titularis-schap (“titre”) dat eigen is enerzijds en de vermogenswaarde (“finance”) die gemeenschappelijk is anderzijds, teneinde aan deze knelpunten tegemoet te komen. Er werd gezocht naar een regeling die het noodzakelijke evenwicht kon bewaren tussen de persoonlijke belangen van één echtgenoot aan de ene kant en de vermogensbelangen van de gemeenschap aan de andere kant.

Hiernavolgend concreet voorbeeld in verband met de beroepsgoederen verduidelijkt het onderscheid:

Oorspronkelijk schreef de wet voor dat gereedschappen en werktuigen die dienen tot het uitoefenen van het beroep eigen zijn. Problematisch bij deze omschrijving was dat het begrip “gereedschappen en werktuigen” onvoldoende ruim was (bijvoorbeeld niet aandelen, onroerende beroepsgoederen zoals gronden of gebouwen, handelsfondsen, cliënteel) en de beroeps-actieve echtgenoot het risico liep bij de vereffening-verdeling van het huwelijksstelsel een vergoeding verschuldigd te zijn voor deze eigen beroepsgoederen wanneer ze met gemeenschapsgelden aangekocht waren (terugbetaling van het geïnvesteerde bedrag), terwijl de betreffende goederen niet meer dezelfde waarde zouden hebben.

Teneinde de beroepsautonomie consequent te vrijwaren, verduidelijkte de wetgever dat het recht (“titre”) op de goederen die een echtgenoot exclusief voor de uitoefening van zijn beroep of uitbating van zijn bedrijf aanwendt eigen is. Hij/zij kan zich dus van de goederen bedienen, kan als eigenaar van deze goederen handelen.

De vermogenswaarde (“finance”) van voormelde beroepsgoederen die met gemeenschappelijke gelden verkregen zijn, te waarderen op datum van ontbinding, is dan weer gemeenschappelijk en dient bij de vereffening-verdeling aan beide echtgenoten voor de helft toe te komen.

Indien beide echtgenoten echter gezamenlijk het beroep uitoefenen of het bedrijf uitbaten waarvoor de goederen worden aangewend, of de goederen niet uitsluitend voor het beroep of de uitbating van het bedrijf worden aangewend, vallen de goederen opnieuw in hun totaliteit onder het vermoeden van gemeenschappelijkheid.

II.2 Huwelijksvermogensrechtelijke neutraliteit van de beroepsuitoefening via een vennootschap

De keuze van een echtgenoot om zijn beroepsactiviteit uit te oefenen binnen of buiten een vennootschap moet huwelijksvermogensrechtelijk neutraal zijn.

Het gemeenschappelijk vermogen mag met andere woorden geen nadeel ondervinden van het feit dat beroepsinkomsten tijdens het huwelijk worden geïnd via een vennootschap waarvan de aandelen eigen zijn aan één van de echtgenoten en op die manier aan de gemeenschap zouden worden onttrokken.

Het nieuwe huwelijksvermogensrecht bepaalt dan ook dat bij ontbinding van het wettelijk huwelijksvermogensstelsel de echtgenoot die zijn beroep uitoefent binnen een vennootschap waarvan de aandelen hem exclusief toebehoren (bijvoorbeeld binnen een doktersvennootschap) aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding verschuldigd is voor de netto-beroepsinkomsten die deze niet heeft ontvangen en redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet binnen de vennootschap, maar bijvoorbeeld in het kader van een eenmanszaak, was uitgeoefend.

II.3 Correcte beroepsinkomstenallocatie

De wetgever heeft duidelijk willen vooropstellen dat de tijdens het huwelijk opgebouwde beroepsinkomsten integraal aan de gemeenschap toekomen. Beroepsinkomsten die vóór het huwelijk of na de ontbinding van het stelsel worden gegenereerd, moeten daarentegen exclusief aan de beroeps-actieve echtgenoot toekomen. Vanaf het tijdstip van de ontbinding van de gemeenschap herwint elke echtgenoot het exclusief recht op zijn beroepsinkomsten.

De algemene regel is dat het te verdelen huwelijksvermogen gewaardeerd wordt op het ogenblik van de daadwerkelijke verdeling tussen de voormalige echtgenoten, hetgeen in de praktijk vaak na een jarenlange procedureslag, lange tijd na de opstart van de echtscheidingsprocedure plaatsvindt.

In het licht van voormelde krachtlijn werd in het vernieuwde huwelijksvermogensrecht in een uitzonderingsbepaling voorzien, op basis waarvan welbepaalde vennootschapsaandelen, beroepsgoederen en cliënteel reeds op tijdstip van ontbinding, dit is het tijdstip van de opstart van de echtscheidingsprocedure, gewaardeerd worden. De waardevermeerdering of -vermindering door (gebrek aan) professionele inzet na ontbinding komt dan niet aan / strekt niet tot nadeel van het te verdelen ontbonden huwelijksvermogen.

Caroline Boven

Advocaat