De quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent op de helling (?): bestuurders wees gewaarschuwd

Vennootschappen kunnen zich in het handelsverkeer maar bewegen door middel van de tussenkomst van natuurlijke personen. De vennootschap kan hierbij een beroep doen op aangestelden (vb. werknemers) of uitvoeringsagenten (vb. bestuurders en onderaannemer).

Het zijn in de eerste plaats bestuurders die een vennootschap aansturen in het handelsverkeer. Zo zal een bestuurder voor en namens de vennootschap een contract onderhandelen en afsluiten, waarna de bestuurder (al dan niet bijgestaan door personeel of onderaannemers) zelf het contract ook feitelijk zal uitvoeren voor rekening van de vennootschap. De handelingen van bestuurders, als orgaan van de vennootschap, en de gevolgen hieraan verbonden, worden aan de vennootschap toegerekend.

Stel nu dat de bestuurder in het kader van dit optreden een fout begaat en de medecontractant van de vennootschap hierdoor schade lijdt. Deze medecontractant zal in de regel de vennootschap aanspreken op grond van haar contractuele aansprakelijkheid.

Het is evenwel mogelijk dat de door de bestuurder begane fout in een (pre)contractuele setting, ook een schending uitmaakt van de aan iedere bestuurder opgelegde algemene zorgvuldigheidsnorm. De bestuurder zou dus door de schadelijder, hier de contractspartij van de vennootschap waarin hij bestuurder is, op buitencontractuele grondslag kunnen worden aangesproken. Dit zal in de praktijk evenwel slechts zelden gebeuren. De bestuurder blijft zéér vaak buiten schot. Hoe kan dit verklaard worden? Het is hier dat de “quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent” een belangrijke rol speelt. Dit leerstuk werd in de rechtspraak ontwikkeld en heeft doorheen de decennia veel beroering veroorzaakt.

Als leidraad kan vooropgesteld worden dat een bestuurder in de regel niet kan worden aangesproken door de medecontractant schuldeiser voor de door hem begane fout. Deze immuniteit is evenwel niet absoluut. Zo zal een bestuurder wel aansprakelijk kunnen worden gesteld voor een fout die tevens wordt gesanctioneerd door een strafrechtelijke bepaling of in het geval de bestuurder de medecontractant schuldeiser heeft misleid in het kader van de onderhandelingen van het contract.

De medecontractant schuldeiser zal zich in de eerste plaats (moeten) richten tot de vennootschap zelf.

Het is wel zo dat indien de vennootschap failliet wordt verklaard de medecontractant schuldeiser zich zal kunnen steunen op een zeer specifieke aansprakelijkheidsregeling om de bestuurder alsnog aan te spreken voor -in de eerste plaats- zijn ‘kennelijk grove’ fouten. Uiteraard dient in het kader van een faillissement ook steeds gekeken te worden naar de initiatieven die de curator onderneemt. Hierop ga ik in het kader van dit artikel niet verder in.

Ik zal verder in dit artikel wel de aandacht vestigen op de initiatieven van onze wetgever om deze quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent over boord te gooien, en de mogelijke relevantie hiervan voor de aansprakelijkheden die bestuurders kunnen oplopen.

Dit kan gekaderd worden in de ruimere betrachting van de wetgever om de bevoorrechte positie van het contractueel aansprakelijkheidsregime terug te schroeven, waardoor het contractueel en buitencontractueel regime op voet van gelijkheid zouden komen te staan.

De Belgische wetgever heeft zich duidelijk laten inspireren door buitenlandse voorbeelden … (Memorie van toelichting van het voorontwerp van wet houdende invoeging van de bepalingen betreffende buitencontractuele aansprakelijkheid in het nieuw Burgerlijk Wetboek, p.28):

‘Dat hulppersonen bij algemene regel beschermd worden tegen buitencontractuele vorderingen vanwege de medecontractant van hun opdrachtgever is een Belgisch unicum, wat niet belet dat in vele landen verweermiddelen uit de hoofdovereenkomst in bepaalde gevallen doorwerken ten gunste van onderaannemers en/of werknemers …’

. … om een helder en duidelijk standpunt in te nemen (Memorie van toelichting van het voorontwerp van wet houdende invoeging van de bepalingen betreffende buitencontractuele aansprakelijkheid in het nieuw Burgerlijk Wetboek, p. 34 – 35):

‘Het voorontwerp neemt dus afstand van de rechtspraak met betrekking tot deze vraag die het voor een contractpartij in de regel onmogelijk maakt om een buitencontractuele vordering in te stellen tegen een hulppersoon van een medecontractant. Hulppersonen kunnen voortaan dus ook buitencontractueel aangesproken worden door de benadeelde medecontractant van hun opdrachtgever.

’ Ook in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (afgekort ‘WVV’) heeft de wetgever aandacht besteed aan de actiemiddelen van de medecontractant schuldeiser opzichtens de bestuurder. In de wet wordt nu uitdrukkelijk opgenomen dat (art. 2:56 WVV):

‘De in artikel 2:51 bedoelde personen en alle andere personen die ten aanzien van de rechtspersoon werkelijke bestuursbevoegdheid hebben of hebben gehad zijn jegens de rechtspersoon aansprakelijk voor fouten begaan in de uitoefening van hun opdracht. Dit geldt ook jegens derden voor zover de begane fout een buitencontractuele fout is.’

De impact van deze wetgevende vernieuwing zou wel eens vergaand kunnen zijn.

Zo zal vb. een onderaannemer zich opzichtens de bouwheer niet meer kunnen verschuilen achter het faillissement van de aannemer. Ook de bestuurder zou mogelijks meer in het vizier kunnen komen van de medecontractant schuldeiser om de geleden schade te verhalen.

De wetgever heeft evenwel absoluut niet de bedoeling gehad om ondernemerschap aan banden te leggen, integendeel. Het insolventierecht (faillissement) is doordrongen van het idee van een tweede kans. Ook in het WVV zijn er enkele nieuwigheden.

De wetgever heeft immers ook een aansprakelijkheidsbeperking regeling voor bestuurders opgenomen in de wet (art. 2:57 WVV). Afhankelijk van een aantal barema’s (toegespitst op omzet en balanstotaal) zal deze beperking variëren van maximum 125.000 euro tot 12.000.000 euro. De maximale bedragen gelden voor alle bestuurders samen. Zij gelden per feit of geheel van feiten dat aanleiding kan geven tot aansprakelijkheid, ongeacht het aantal eisers of vorderingen. Dit zou in de praktijk weleens aanleiding kunnen geven tot schuldeisers die naast de boot gaan vallen.

Doorheen het wetgevend parcours is er toch ook wel wat gesleuteld aan deze beperkingsgrondslag, waardoor deze regeling vb. geen toepassing zal vinden bij een lichte fout die eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt, een zware fout, bedrieglijk opzet of een oogmerk om te schaden. Ook bepaalde specifieke aansprakelijkheidsgronden ten voordele van overheidsschuldeisers ontsnappen aan de dans.

De vraag kan worden gesteld of ondernemen/ besturen door deze wetgevende initiatieven zal evolueren naar een berekenbaar en dus ook verzekerbaar risico. Het belang van de verzekering voor bestuurders zal mogelijks aan belang gaan winnen.

In ieder geval nopen deze wetgevende initiatieven tot een extra alertheid bij bestuurders. De praktijk zal snel genoeg uitwijzen in welke mate bestuurders door de medecontractant schuldeiser zullen/ kunnen worden aangesproken.

Neil Simons

Advocaat