Bommelding bij Vlaamse windturbines

In het huidig klimaatmarsenklimaat is de problematiek rond groene energie actueler dan ooit. Onder druk van een joelende menigte wordt de politiek gedwongen de strijd aan te gaan tegen de opwarming van de aarde. De overheid is dan ook steeds gretiger om vergunningen te verlenen voor het bouwen en exploiteren van windturbines. Minder gretig zijn de omwonenden die ondertussen flinke tegenwind bieden. Don Quichot anno 2019 gaat ze niet meer met blote handen te lijf, maar zet juridische wapens in. En zo ligt er nu een bom onder de windturbines in Vlaanderen.

Een bezwaarschrift gevolgd door een administratief beroep zal bij een vergunningsaanvraag voor windturbines eerder de regel dan de uitzondering zijn. Omwonenden viseren daarbij vooral de hinder die de turbines veroorzaken, gaande van een storend uitzicht in het landschap, slagschaduwschade tot geluidshinder. Ironisch genoeg zal de ‘milieubewuste’ beroepsindiener schermen met de mogelijke weerslag op een nabijgelegen natuurgebied alsook de aanvaringsrisico’s voor beschermde vogel- en vleermuissoorten met de ongenadige wieken. Het wapenarsenaal is dus uitgebreid.

De slagkracht ervan is geval per geval te bekijken. De impact op de omgeving alsook die omgeving zelf varieert van project tot project. Niet elk argument gaat in elke situatie op. Bovendien kunnen de toekomstige exploitanten weerwerk bieden tegen een aantal verzuchtingen door bijvoorbeeld automatische stilstandsmodules en geluidsbeperkende maatregelen te voorzien.

In eerste instantie moeten die exploitanten zelf de milieuproblematiek omvattend in kaart brengen om de vergunningverlener toe te laten tot een milieubeoordeling over te gaan. Daartoe moeten zij hun aanvraagdossier stofferen met een milieueffectenrapport (afgekort tot: MER) of een MER-screeningsnota. Dit is een overzicht van de milieueffecten die een bepaald project veroorzaakt. Studiebureaus voeren per categorie van hinderlijk effect, zoals slagschaduw, geluidshinder, visuele hinder, enz. studies uit en schatten daarbij in of deze effecten verwaarloosbaar, gering, negatief of aanzienlijk negatief zijn. Wanneer de impact op de omgeving niet aanvaard kan worden, zal de aanvrager zogenaamde milderende maatregelen voorstellen om hieraan tegemoet te komen. In het andere geval stuiten ze allicht op een weigering.

Nadat de exploitant het aanvraagdossier ingediend heeft, kunnen de omwonenden daarvan inzage nemen tijdens het openbaar onderzoek. Zij hebben de kans om een bezwaarschrift in te dienen, waarmee de vergunningverlener rekening moet houden. Hierbij zullen zij hun munitie vaak halen uit het MER zelf wanneer bijvoorbeeld bepaalde aspecten onderbelicht worden, de voorgestelde milderende maatregelen niet ernstig zijn, …

Om uit te maken of een hinderlijk effect al dan niet aanvaard kan worden, wordt in het MER onder meer nagegaan of de exploitant kan voldoen aan de sectorale milieuvoorwaarden voorzien in het VLAREM II. Dit zijn de voorschriften die de Vlaamse regering heeft opgelegd voor activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Voor windturbines staan specifiek geluidsnormen in decibels uitgedrukt. Daarnaast geldt er voor woningen de norm van maximum van acht uur effectieve slagschaduw per jaar, met een maximum van dertig minuten effectieve slagschaduw per dag. Wanneer uit het aanvraagdossier blijkt dat de exploitant deze normen kan naleven, kan het project in aanmerking komen voor een vergunning.

De vraag rijst echter of deze normen zelf wel deugen? Het is niet omdat de exploitant de minimale VLAREM voorschriften respecteert, dat het leven voor de omwonenden daarmee draaglijk is. De verdienste van het VLAREM is dat inderdaad bepaalde normen zijn vastgesteld, maar dat is natuurlijk maar een magere troost wanneer de Vlaamse regering bij het uitvaardigen van die regelgeving de lat niet hoog genoeg gelegd heeft. Of anders gesteld: bieden deze voorschriften wel voldoende bescherming voor de omwonenden?

Concreet zijn de VLAREM geluidsnormen uitgedrukt in decibels. De vraag is of dit wel een geschikte meetmethode is voor windturbines die heel de nacht draaien. Door het zwiepen van de wieken produceert een windturbine een voortdurend zoevend geluid en het zijn vooral die lage pulserende tonen die als hinderlijk worden ervan. Verder is de vraag of acht uur effectieve slagschaduw per jaar met een maximum van dertig minuten slagschaduw per dag houdbaar is. Omwonenden schrijven voornamelijk gezondheidsklachten toe aan dergelijke geluids- en slagschaduwhinder gelet op de voortdurende verstoring van hun gemoedsrust.

Uiteindelijk kwamen de tegenstanders in deze wapenwedloop tegen de windturbines gewiekst op de proppen en brachten de Europese SMB-richtlijn 2001/42/EG betreffende “de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s” in stelling. Deze richtlijn is een aanvulling op Richtlijn 82/337/EEG betreffende “de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten”. Zij nemen hiermee niet alleen de concrete projecten zelf, maar ook de gehele vergunningverlening in het vizier.

Voordien moest de exploitant pas een MER opmaken naar aanleiding van de vergunningsaanvraag voor zijn project. De SMB-richtlijn, waarbij SMB staat voor strategische milieubeoordeling, schrijft voor dat dit ook dient te gebeuren voor de plannen en programma’s die worden voorbereid met betrekking tot o.a. de ruimtelijke ordening en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen. Wanneer een gemeente bijvoorbeeld een ruimtelijk uitvoeringsplan aanneemt met concrete bouwvoorschriften om een bepaald gebied in te richten, moet zij sinds de SMB-richtlijn op dat ogenblik al een MER laten opstellen. Het plan in kwestie vormt immers een referentiekader om later vergunningen af te leveren.

Voorafgaand aan het uitvaardigen van de sectorale milieuvoorwaarden inzake windturbines in het VLAREM II werd geen MER opgesteld. Zijn de omwonenden wel voldoende beschermd wanneer voor elke vergunningsaanvraag de milieueffecten beoordeeld worden aan de hand van de VLAREM II voorschriften waarvan de milieueffecten zelf niet eens getoetst zijn?

Eind 2018 heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen een uitspraak gedaan over een vergunning voor het bouwen van een windturbinepark die de omwonenden hadden aangevochten. Zij voeren aan dat de Vlaamse sectorale voorwaarden strijdig zijn met de Europese regelgeving. De Raad heeft haar twijfels of het VLAREM II wel een plan of programma is in de zin van de SMB-richtlijn, omdat deze alleen van toepassing is op plannen die ‘door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn voorgeschreven’. Op zich was de Vlaamse regering om andere redenen wel verplicht om sectorale voorwaarden te bepalen, maar deze voorwaarden zijn niet uitgevaardigd om als een beoordelingskader voor toekomstige vergunningen te dienen. Omgekeerd is dit in de praktijk wel het geval.

Bijgevolg heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen een prejudiciële vraag gesteld aan het Europees Hof van Justitie die uitspraak moet doen wanneer er onduidelijkheid bestaat over de juiste interpretatie van de Europese regelgeving. Het is nu afwachten tot het Hof uitspraak doet. Ondermijnen de huidige Don Quichots de vergunningverlening van windturbines in Vlaanderen? Of ontmijnt het Europees Hof van Justitie de bom?

Philippe Dreesen

Advocaat