bewijs in handelszaken wordt ONDERNEMINGSRECHT

Met de invoering van het vernieuwde ondernemingsrecht bij wet van 15 april 2018 werd onder meer het ondernemingsbewijs gemoderniseerd.

De wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, die op 1 november 2018 in werking is getreden, heeft de bewijsregels uit het Wetboek van koophandel opgeheven en laste een nieuw artikel 1348bis in, in het Burgerlijk Wetboek.

Nieuw ondernemingsbegrip

De Wet van 15 april 2018 schaft onder meer het begrip ‘handelaar’ af. In de plaatst daarvan wordt een nieuwe formele ondernemingsdefinitie geïntroduceerd, dat aanzienlijk ruimer is dan het vroegere begrip ‘handelaar’.

Met ondernemingen worden bedoeld:

  • natuurlijke personen die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefenen, dus ook de beoefenaars van vrije beroepen, zoals dokters, advocaten,…
  • rechtspersonen. Ook VZW’s en stichtingen, zelfs als ze geen goederen of diensten aanbieden op een markt. Publiekrechtelijke rechtspersonen ook tenzij ze geen goederen of diensten aanbieden op een markt.
  • andere organisaties zonder rechtspersoonlijkheid die een uitkeringsoogmerk hebben en uitkeringen doen aan hun leden of personen die een beslissende invloed uitoefenen op het beleid van de organisatie.

Ondernemingsrechtbank

Met de invoering van het ondernemingsbegrip werd ook de Rechtbank van Koophandel omgevormd in de Ondernemingsrechtbank.

Artikel 573 Ger.W. bepaalt in die zin dat de ondernemingsrechtbank bevoegd is voor alle geschillen tussen ondernemingen die niet vallen onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges. Indien de eiser geen onderneming is maar de verweerder wel, heeft de eiser een keuzerecht om het geschil al dan niet voor de ondernemingsrechtbank te brengen.

De ondernemingsrechtbank is samengesteld uit professionele rechters enerzijds en consulaire of lekenrechters anderzijds. De benoemingsvoorwaarden voor deze lekenrechters of rechters in ondernemingszaken wordt uitgebreid en aangepast aan het nieuwe ondernemingsbegrip. Advocaten, vertegenwoordigers van de verenigingssector, … komen voortaan ook in aanmerking.

Ondernemingsbewijsrecht – vrijheid van bewijs

De wijziging van het ondernemingsbegrip heeft uiteraard ook gevolgen voor het bewijsrecht.

Het handelsbewijsrecht dat tot voor kort terug te vinden was in het Wetboek van koophandel wordt hervormd tot het ondernemingsbewijsrecht. De ondernemingsbewijsregels worden opgenomen in het Burgerlijk Wetboek.

Het nieuwe ondernemingsbewijsrecht is van toepassing op alle ondernemingen die onder het nieuwe formele ondernemingsbegrip vallen.

Inhoudelijk verandert er weinig aan het bewijsrecht. Voorheen bepaalde artikel 25, eerste lid van het Wetboek van koophandel dat “handelsverbintenissen ook kunnen worden bewezen door getuigen”. Het nieuwe artikel 1348bis §1 BW bepaalt daarentegen dat bewijs tussen en tegen ondernemingen kan worden geleverd door alle middelen van recht, inclusief digitale bewijsmiddelen, waaronder e-mails en sms-berichten.

Voordien was de rechtspraak niet altijd unaniem ten aanzien van digitale bewijsmiddelen. Vaak heerste er enige terughoudendheid en werden e-mails en sms-berichten louter beschouwd als begin van bewijs. De uitbreiding naar digitale bewijsmiddelen is dus wel een belangrijke stap in de modernisering van het ondernemingsbewijsrecht.

Deze bewijsvrijheid geldt ongeacht de positie van de onderneming in het geding – eiser of verweerder – en ongeacht de rechtsinstantie waarvoor partijen verschijnen.

Wel dient opgemerkt te worden dat deze bewijsvrijheid enkel geldt voor een handeling gesteld door een onderneming. Zij geldt dus bijvoorbeeld niet voor ondernemingen die een bewijs willen leveren tegen een partij die geen onderneming is. Een partij die geen onderneming is en die tegen een onderneming wil bewijzen, kan dit wel met alle middelen van recht.

Onregelmatig gevoerde boekhouding

De boekhouding van een onderneming kan een belangrijke bewijswaarde hebben. Het Wetboek van koophandel eiste vroeger dat het moest gaan om een ‘regelmatig’ gevoerde boekhouding om te gelden als bewijs tussen ondernemingen. Die vereiste is met de invoering van de wet van 15 april 2018 geschrapt. Het is bijgevolg niet meer vereist dat een boekhouding regelmatig gevoerd is opdat zij als bewijsmiddel zou kunnen dienen tegen een onderneming.

Het is uiteraard nog altijd de rechter die de bewijswaarde van de boekhouding zal beoordelen. De rechter kan bijgevolg wel rekening houden met de (on)regelmatigheid van de boekhouding om de bewijswaarde ervan te beoordelen.

Openlegging van de boekhouding

De rechter kan in de loop van een geding de openlegging van de boekhouding bevelen voor het te onderzoeken geschil. Het Wetboek van koophandel maakte nog een onderscheid tussen de integrale openlegging en beperkte overlegging van de boekhouding. Dit onderscheid verdwijnt. Artikel 1348bis §3 BW spreekt enkel van ‘openlegging’.

De rechter kan dit ambtshalve doen of op vraag van één van de partijen.

Nieuw is verder dat de rechter uitdrukkelijk de mogelijkheid krijgt om maatregelen op te leggen om de vertrouwelijkheid van de betrokken stukken te vrijwaren. Zo kan de rechter onder meer de toegang tot documenten die bedrijfsgeheimen bevatten (gedeeltelijk) beperken tot bepaalde categorieën van personen die hij aanwijst of deze documenten (gedeeltelijk) onleesbaar laten maken.

De aanvaarde factuur als bewijs

Artikel 1348bis §4 BW bevat een regeling voor de factuur als bijzonder bewijsmiddel binnen het contentieux van het ondernemingsbewijs. Deze bepaling luidt als volgt: “Een door een onderneming aanvaarde factuur levert bewijs op tegen deze onderneming.”

Een belangrijk verschil met de voorheen in het Wetboek van Koophandel opgenomen regeling is dat de wettekst niet meer verwijst naar overeenkomsten van koop-verkoop. Vanaf heden geldt deze bewijsregel in principe voor alle overeenkomsten die tussen of door ondernemingen werden gesloten.

In de memorie van toelichting bij de wet van 15 april 2018 valt zelfs te lezen dat een door een onderneming aanvaarde factuur dezelfde bewijswaarde heeft als een onderhandse akte. Bovendien geldt de vroegere regel dat een handelaar wordt vermoed een niet-geprotesteerde factuur te aanvaarden, nu voor alle ondernemingen.

Het is gelet op het bovenstaande van het allergrootste belang dat een factuur, indien deze betwist is, onmiddellijk (lees binnen een korte termijn) geprotesteerd wordt.

Temporele werking

De vraag stelt zich nu op welke zaken en vanaf wanneer het nieuw ondernemingsbewijs van toepassing is.

De nieuwe bewijsregeling is in principe van toepassing op alle gevallen waarover de rechter nà 1 november 2018 uitspraak doet.

Op dit principe bestaan er een aantal belangrijke uitzonderingen.

De belangrijkste uitzondering betreft de nieuwe bewijskracht van de factuur.

Voor het bewijs van overeenkomsten, andere dan koopovereenkomsten, speelt bv. het vermoeden enkel voor aanvaarde facturen vanaf 1 november 2018.

Hetzelfde geldt voor het bewijs tegen ondernemingen die onder het vorige recht niet als handelaar werden gekwalificeerd.

De toepasselijkheid van het nieuwe ondernemingsbewijs op hangende geschillen is niet altijd evident.

Om die reden is het belangrijk eerst het advies in te winnen van een advocaat die precies kan inschatten wat de bewijswaarde is van de door u aangeleverde bewijselementen.

Boek 8 “Bewijs” in het nieuwe Burgerlijk Wetboek

De wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht vormt een orgelpunt, maar geen eindpunt voor het ondernemingsbewijsrecht.

Het wetsontwerp houdende de invoeging van Boek 8 “Bewijs” in het nieuw Burgerlijk Wetboek zet de lijn van de bovenstaande versoepelingen en modernisering van de bewijsregels verder. Het toekomstig artikel 8.10 van de nieuw Burgerlijk Wetboek neemt de inhoud van artikel 1348bis zo goed als integraal over.

Het wetsontwerp werd ingediend door de regering in de kamer op 31 oktober 2018 en werd op 4 april 2019 goedgekeurd.

Mr. Veerle Janssen zal hierover een verdere uiteenzetting geven verder in deze nieuwsbrief.

Charlotte Van Thienen

Advocaat