De fiscale schil rond uw buitenlands vermogen is dunner dan u denkt: de kaaimantaks

De programmawet van 10 augustus 2015 heeft de zogenaamde “Kaaimantaks” ingevoerd. Eenieder die oprichter of eigenaar is van een buitenlandse juridische constructie  zonder rechtspersoonlijkheid (bv. een trust ) of van een rechtspersoon waarvan de inkomsten worden belast aan een tarief dat lager is dan 15 %, zal persoonlijk worden belast op de inkomsten die deze constructie in een bepaald jaar geniet, tenzij kan worden aangetoond  dat deze inkomsten in dat jaar ten goede zijn gekomen aan een derde. In dat geval zal de derde begunstigde worden belast. De wetgever wil zo vermijden dat Belgische belasting wordt omzeild door het tussenschuiven van een buitenlandse constructie. Men “kijkt door” de afzonderlijke rechtspersoonlijkheid van de constructies, deze wordt fiscaal opzijgeschoven.

Deze kaaimantaks wordt ingevoerd nadat de wet van 30 juli 2013 de verplichting heeft ingevoerd om in de aangifte personenbelasting aan te duiden of men oprichter of begunstigde is van een buitenlandse juridische constructie.

De inkomsten die vanaf 1 januari 2015 worden genoten door een juridische constructie, vallen onder deze kaaimantaks. Het is  niet vereist dat de oprichter van de constructie zelf inkomsten ontvangt uit de constructie in het jaar dat de constructie deze ontvangt, opdat hij belast wordt. Men doet alsof de inkomsten die de constructie ontvangt zijn verkregen door de oprichter. Deze belasting zal worden toegepast met respect voor de bestaande dubbelbelastingverdragen, zodat de doorkijkbelasting niet in alle situaties zal worden toegepast.

Onder juridische constructies begrijpt de wetgever enerzijds de trust en andere fiduciaire verhoudingen zonder rechtspersoonlijkheid (de constructies van categorie 1) , en anderzijds de laag of niet-belaste rechtspersonen (categorie 2). Onder de tweede categorie vallen constructies die niet aan ten minste 15 % inkomstenbelasting onderworpen zijn.  Worden zij aan een hoger tarief belast, dan is de kaaimantaks niet van toepassing en  is er ook geen verplichting om in de aangifte mee te delen dat men oprichter is van een dergelijke constructie. 

Van de tweede categorie werd er bij KB van 23 augustus 2015 een lijst opgesteld van de rechtsvormen die geacht worden onder de kaaimantaks te vallen. Voor de juridische constructies die gevestigd zijn binnen de Europese Economische Ruimte (EER), is deze lijst limitatief. Het betreft de Liechtensteinse Anstalt, de Liechtensteinse Stiftung en de Luxemburgse  Société de Gestion de Patrimoine Familial. Komt de constructie waarvan men oprichter is niet voor op die lijst, dan is de kaaimantaks niet van toepassing. De EER omvat alle lidstaten van de Europese Unie, alsook Ijsland, Liechtenstein en Noorwegen.

Voor constructies buiten de EER is de lijst niet limitatief. Een oprichter van een constructie die gevestigd is buiten de EER en die niet op de lijst staat zal toch nog onderworpen kunnen zijn aan de kaaimantaks, indien deze  niet ten minste 15 % belasting betaalt op het verworven inkomen. Om dat te bepalen  wordt er niet gekeken naar de lokale belastingregels, maar dat percentage wordt vastgesteld aan de hand van de regels die van toepassing zijn voor het vestigen van de Belgische inkomstenbelasting. Omgekeerd zal de oprichter van een constructie die wel op een lijst voorkomt, kunnen aantonen dat de taks niet van toepassing is, omdat de belastingdruk minstens 15 % bedraagt.

De oprichter zal altijd het tegenbewijs kunnen leveren, en aantonen dat een constructie wel onderworpen is aan ene hogere belastingheffing dan 15 %, waardoor de kaaimantaks niet van toepassing is.

De persoon die de constructie heeft opgericht buiten de uitoefening van een beroepswerkzaamheid wordt beschouwd als oprichter, net als zijn directe erfgenamen. Ook personen die niet zelf oprichten maar goederen en rechten inbrengen in een constructie, worden als oprichter beschouwd. Naast privé personen kunnen ook Belgische rechtspersonen die onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting  (bv. VZW’s en stichtingen) onderworpen worden aan de deze taks. Op Belgische vennootschappen is de taks niet van toepassing.

De oprichter kan de belasting alleen vermijden wanneer hij aantoont dat, in het jaar waarin een juridische constructie inkomsten geniet,  deze inkomsten zijn toegekomen aan een derde begunstigde. Deze derde moet dan wel een ingezetene zijn van de EER, of van een staat waarmee België een dubbelbelastingverdrag heeft afgesloten dat voorziet in de uitwisseling van inlichtingen.

Wanneer de juridische constructie inkomsten verkrijgt die slechts in een later jaar worden doorbetaald aan een derde begunstigde, dan zal de oprichter worden belast  voor het jaar waarin de constructie de inkomsten heeft ontvangen. Hij zal dus worden belast op een inkomen dat hij nooit ontvangt. De derde begunstigde wordt dan niet meer belast.

Alleen wanneer de derde begunstigde de inkomsten ontvangt in hetzelfde jaar als de juridische constructie, zal niet de oprichter maar de derde begunstigde worden belast, maar dan alleen op de  werkelijke inkomsten die deze derde verkrijgt, en nooit op meer inkomsten dan dat de constructie in dat jaar heeft ontvangen.

Ontvangt de constructie roerende inkomsten, dan wordt de oprichter belast op een roerend inkomen. Worden er onroerende inkomsten ontvangen, dan wordt de oprichter belast op een onroerend inkomen, enz….

Wanneer de oprichter ingevolge deze transparantieregeling  belast is geweest op inkomsten die hij geacht werd verkregen te hebben, dan wordt hij niet meer belast wanneer hij deze inkomsten daadwerkelijk ontvangt. Op die wijze wordt dubbele belasting vermeden.

De fiscale transparantie geldt niet bij de ontbinding van een juridische constructie met rechtspersoonlijkheid. Wanneer die wordt ontbonden kan de oprichter belast worden door een nieuw ingevoerde belastingheffing, en dit in de mate dat de bedragen die hij ontvangt hun belastingregime nog niet hebben ondergaan. Zo kunnen ook de inkomsten die voor 1 januari 2015 werden genoten door de juridische constructie alsnog worden belast….De bedragen waarop vóór de ontbinding al belastingen werden betaald door de toepassing van de doorkijkbelasting, worden dan niet meegerekend voor het bepalen van de liquidatiebonus. Het positieve verschil tussen de waarde bij ontbinding en de waarde die werd ingebracht bij de oprichting (onder aftrek van de waarden die reeds werden belast door de doorkijkbelasting) , zal dan onderworpen zijn aan deze liquidatiebelasting.

Het aanhouden van bepaalde constructies is niet altijd ingegeven door fiscale motieven. Gezien de uitwisseling van informatie voor fiscale doeleinden alleen maar toeneemt is de kans wel groot dat de Belgische fiscus binnen afzienbare tijd zal weten of een Belgische belastingplichtige betrokken is bij een dergelijke constructie, ook al werd deze nog niet vermeld in de aangifte personenbelasting (wat wettelijk verplicht is).

De kost van een fiscale regularisatie stijgt met de jaren, terwijl het louter aanhouden van dergelijke constructies dikwijls met aanzienlijke kosten gepaard gaat en het erin geplaatste vermogen immobiel maakt.

Het is mogelijk raadzaam om de bestaande situatie te heroverwegen.

Stefaan Lettens