Big brother is listening?

Privacy en veiligheid: niet altijd eenvoudig te verzoenen

Gedurende de laatste maanden vindt er een maatschappelijk debat plaats over de vraag hoe ver onze overheid kan gaan in het bewaren van telecomgegevens. Dergelijke gegevens kunnen immers nuttig zijn in de strijd tegen terrorisme en andere criminaliteit. Hoewel niemand protesteert tegen het gebruik van nieuwe onderzoekstechnieken, rijzen er vraagtekens bij de consequenties voor uw privacy.

Het debat laaide op toen het Grondwettelijk Hof in navolging van Europese rechtspraak de zogenaamde “dataretentiewet” vernietigde. Die wet verplichtte aanbieders van telecommunicatie om bepaalde gegevens van hun klanten te bewaren voor een periode van 12 maanden. In een strafrechtelijk onderzoek konden die gegevens dan als bewijs gebruikt worden, uiteraard conform de wettelijke bepalingen terzake.

Belangrijk om te vermelden is dat het niet ging om bewaren van de inhoud van communicatie. Indien u iemand belde, diende u dus niet te vrezen dat de overheid stiekem meeluisterde. Wel bestond er onder meer de verplichting om te registreren van waar iemand een sms verstuurde, hoe lang een telefoongesprek duurde, wie wanneer een e-mail heeft verzonden,… Big Brother luisterde dan wel niet mee, hij wist toch bijzonder veel over uw privé-leven.

Dataretentiewet strijdig met grondrechten

Het is  vaststaande rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat uitzonderingen op de bescherming van persoonsgegevens binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke dienen te blijven. Het is daarbij noodzakelijk dat er voldoende garanties zijn tegen misbruik. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat de dataretentiewet daaraan niet voldeed.

De grootste bezwaren van het Grondwettelijk Hof zijn dat de dataretentiewet algemeen van toepassing was op elke persoon, voor elk soort van elektronische communicatie en onbeperkt in ruimte. Steeds gold een bewaartermijn van 12 maanden, onafhankelijk van de aard van de gegevens. Ook personen gebonden door het beroepsgeheim vielen onder het toepassingsgebied. Hoewel de wet als doel had zware criminaliteit te bestrijden, was er voor de bewaring geen aanwijzing van een misdrijf vereist. Bovendien voorzag de wet niet in voorwaarden met betrekking tot de toegang tot de bewaarde gegevens, wat deed vrezen voor misbruik.

Dataretentie 2.0: voldoende waarborgen?

De regering heeft recentelijk een nieuwe dataretentiewet ontworpen. Daarbij wordt getracht de consignes van het Grondwettelijk Hof in aanmerking te nemen. Het wetsontwerp bevat enkele waarborgen tegen misbruik.

Zo is de toegang tot de bewaarde gegevens afhankelijk van de vraag of er geen privacyvriendelijkere methode bestaat en is er een beperking van de toegangsgerechtigde personen. Ook wordt de bewaartermijn afhankelijk gemaakt van de ernst van het misdrijf. Hoe lichter de straf voor een bepaald misdrijf, hoe korter de termijn. Voor bepaalde kleinere misdrijven is zelfs geen toegang mogelijk.  De bewaartermijn van de gegevens hangt daarnaast ook af van de aard van de gegevens. Hoe privacygevoeliger de gegevens, des te korter de bewaartermijn. Ten slotte is in het wetsontwerp voorzien in een bijzondere bescherming voor personen onderworpen aan het beroepsgeheim.

De regering houdt met dit wetsontwerp meer rekening met uw privacy. Toch weerklonken al enkele kritische commentaren dat niet aan alle bezorgheden van het Grondwettelijk Hof wordt tegemoet gekomen.

In een rechtsstaat draait alles om het zoeken naar de juiste balans. Soms kunnen rechten botsen. Het komt er dan op aan te zorgen dat de weegschaal niet te fel naar de ene dan wel naar de andere zijde overhelt. Die moeilijke evenwichtsoefening is in het kader van dataretentie duidelijk nog niet afgerond. Wij houden u op de hoogte van verdere evoluties.

Niels Vos