Maggie de gevangenis niet verlaten? Cassatie hangt de minister De Block aan het been

Op basis van de wet van 17 mei 2006 kan de gedetineerde bij de minister van justitie een uitgaansvergunning of penitentiair verlof aanvragen. Enige tijd bestond onduidelijkheid over de juridische mogelijkheden voor die gedetineerde om iets te ondernemen tegen een onterechte weigering. Zowel de gewone hoven en rechtbanken, als de Raad van State verklaarden zich onbevoegd. En de gedetineerde? Die kon de spreekwoordelijke (Turtel)boom in.

Uitgaansvergunning en Penitentiair verlof

De gedetineerde die een uitgaansvergunning verkrijgt, kan de gevangenis verlaten voor een bepaalde duur die niet langer dan zestien uren mag bedragen.
De occasionele uitgaansvergunning kan elk moment van de detentieperiode worden toegekend voor eerder uitzonderlijke gebeurtenissen waarvoor de veroordeelde zich éénmalig buiten de strafinrichting moet kunnen bevinden. Typevoorbeelden zijn een begrafenis bijwonen of een medisch onderzoek ondergaan.
Daarnaast kan de veroordeelde ook een periodieke uitgaansvergunning bekomen om zijn sociale re-integratie voor te bereiden tijdens de twee jaren voordat hij tot de voorwaardelijke invrijheidstelling kan toegelaten worden. Vanuit deze doelstelling kan dit met periodiciteit worden toegekend.

In het jaar voor een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling kan de gedetineerde penitentiair verlof vragen. Dit verlof laat de veroordeelde toe om de gevangenis driemaal zesendertig uren per trimester te verlaten. Hij kan ervoor opteren in één keer 108 uren op te nemen.

Aan de uitgaansvergunning of het penitentiair verlof zijn voorwaarden gekoppeld. Eerst moet voldaan zijn aan de vermelde tijdsvoorwaarden bij de periodieke uitgaansvergunning en het penitentiair verlof die afhangen van het moment waarop de voorwaardelijke invrijheidstelling mogelijk is. Tenzij bijzondere voorwaarden eraan zouden kunnen verhelpen, mogen verder geen tegenaanwijzingen bestaan, bv.:
1. de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken;
2. het risico bestaat dat hij ernstige strafbare feiten zou plegen;
3. hij de slachtoffers zou verontrusten.
Tot slot moet hij instemmen met de algemene voorwaarde geen strafbare feiten te plegen en de eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden na te leven.

Bevoegde rechter?

De vraag rijst wat de gedetineerde kan ondernemen tegen een weigering van de minister, terwijl hij de voormelde voorwaarden vervult. Omwille van juridisch-technische redenen had het Hof van Beroep te Brussel in 2011 zich onbevoegd verklaard om van dergelijk geschil kennis te nemen. Het recht op een uitgaanvergunning of penitentiair verlof zou immers geen subjectief recht betreffen. In principe is het dan aan de Raad van State om overheidshandelingen op hun wettigheid te beoordelen, maar die was een andere mening toegedaan: wél een subjectief recht.

Uiteindelijk heeft het Hof van Cassatie het pleit beslecht en met haar arrest van 15 november 2013 het Hof van Beroep te Brussel teruggefloten. Wanneer de gedetineerde aan alle voorwaarden voldoet, moet de minister de uitgaansvergunning of het penitentiair verlof toekennen. Dit maakt bijgevolg wel degelijk een subjectief recht uit wat betekent dat de minister een bepaalde verplichting heeft en bij niet-nakoming de gedetineerde die kan afdwingen voor de hoven en rechtbanken. Het standpunt van Cassatie valt toe te juichen gelet op de doelstelling van de wet van 17 mei 2006 om de strafuitvoeringsmodaliteiten te objectiveren en willekeur te bestrijden. Het Hof van Cassatie heeft bijgevolg de gedetineerde die tussen twee stoelen dreigde te vallen opgevist en zet de nieuwbakken minister van justitie in de federale regering van lopende zaken voor De Block.