Ik heb een mandaat in een vennootschap, ben ik automatisch zelfstandige?

Voor mandatarissen van vennootschappen bestonden er twee onweerlegbare vermoedens van onderwerping aan het sociaal statuut van de zelfstandigen. Deze vermoedens werden door de wet van 25 april 2014 aangepast.

Sociaal statuut van zelfstandige

Wie is zelfstandige?

Volgens de definitie van de wetgever: "ieder natuurlijk persoon, die in België een beroepsbezigheid uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden is."

De wetgever voerde een vermoeden in dat deze voorwaarden vervuld zijn voor "iedere persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent die inkomsten kan opleveren bedoeld in artikel 23§1, 1° of 2° WIB (winsten of baten) of in artikel 30, 2° WIB (bedrijfsleidersbezoldigingen). Dit vermoeden kan weerlegd worden.

Daarnaast waren er twee vermoedens t.a.v. mandatarissen in vennootschappen die niet konden weerlegd worden.

De oude onweerlegbare vermoedens

1. Uitoefening

Een uitoefening van een mandaat in een vereniging of vennootschap naar rechte of in feite die zich met een exploitatie of verrichtingen van winstgevende aard bezighoudt was voldoende om onder het statuut van zelfstandige te vallen.

Belangrijk is dat dit ook kan gaan om feitelijke vennootschappen of verenigingen, het is niet beperkt tot vennootschappen en dat de term mandaat niet beperkt is tot de klassieke mandaten maar dat lasthebber zijn om een rechtshandeling te stellen voldoende is.

2. Benoeming

Iemand die benoemd wordt tot mandataris in een in België aan de vennootschapsbelasting onderworpen vennootschap of vereniging wordt geacht in België een zelfstandige beroepsbezigheid uit te oefenen.

Dit werd ingevoerd om te vermijden dat men kon ontsnappen aan het statuut door de "activiteit" niet in België uit te oefenen.

Hier gaat het niet om feitelijke vennootschappen of verenigingen, enkel deze onderworpen aan de vennootschapsbelasting, en het gaat enkel voor de mandaten waarvoor men benoemd wordt (niet voor een lasthebber voor een specifieke rechtshandeling)


Deze vermoedens konden niet weerlegd worden.

De rechtspraak

De rechtspraak had heel wat kritiek op deze vermoedens.

1. Uitoefening

Omdat dit vermoeden zonder voldoende motivering werd ingevoerd en niet vooraf voor advies aan de Raad van State was voorgelegd besliste de rechtspraak meermaals dat het KB dat dit invoerde nietig was.

Dit had tot gevolg dat een oude versie van het vermoeden van toepassing werd, dat wel weerlegbaar was. Hiervoor moest bewezen worden dat het mandaat kosteloos was. Dit werd echter enkel aanvaard wanneer de kosteloosheid blijkt uit de statuten, of wanneer het bevoegde orgaan om de vergoeding vast te stellen effectief een beslissing nam dat het mandaat kosteloos was.

Dit had tot gevolg dat wanneer een mandaat kosteloos was maar dit niet in de statuten zo was opgenomen en er geen beslissing was waarin effectief werd bepaald dat het kosteloos was de mandataris toch onderworpen was aan het statuut van zelfstandige.

2. Benoeming

Het vermoeden van de benoeming werd door de Rechtspraak op basis van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel waarover het Grondwettelijk Hof een uitspraak deed en de Europese beginselen van vrij verkeer, waar het Europese Hof van Justitie de mandatarissen te hulp kwam, op de helling gezet. Hierdoor werd ook dit vermoeden weerlegbaar.


De nieuwe vermoedens

Omdat er door deze rechtspraak niet veel over bleef van de onweerlegbaarheid van de vermoedens heeft de wetgever deze aangepast in twee nieuwe weerlegbare vermoedens.

1. Eerste vermoeden

"...personen die aangesteld zijn tot mandataris in een vereniging of vennootschap naar rechte of in feite die zich met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard bezighoudt of die, zonder aangesteld te zijn, een mandaat uitoefenen in een dergelijke vereniging of vennootschap, op weerlegbare wijze geacht een zelfstandige beroepsbezigheid uit te oefenen."

Ook dit vermoeden is van toepassing op loutere feitelijke verenigingen die zich met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden, en op personen die een mandaat uitoefenen zonder formeel benoemd te zijn, bijvoorbeeld op basis van een lastgevingsovereenkomst.

2. Tweede vermoeden

"De zelfstandige beroepsbezigheid als mandataris in een aan de Belgische vennootschapsbelasting of belasting der niet-inwoners onderworpen vereniging of vennootschap, wordt op weerlegbare wijze geacht plaats te vinden in België."

Dit komt overeen met het oude tweede vermoeden met dit verschil dat er niet meer wordt gesproken van benoemd zijn tot mandataris, zodat het begrip mandataris niet noodzakelijk meer beperkt is tot de klassieke mandaten.


In de wet wordt aan de Koning de mogelijkheid gegeven om te bepalen op welke wijze de vermoedens kunnen weerlegd worden.


Wat betekent dit concreet voor u?

Concreet betekent dit dat de twee vermoedens nu kunnen weerlegd worden.

Dit kan bijvoorbeeld door aan te tonen dat het mandaat wordt uitgevoerd in een band van ondergeschiktheid, of door aan te tonen dat het mandaat kosteloos is.

In het vermoeden wordt niet meer bepaald dat de kosteloosheid moet blijken uit de statuten of een beslissing van het bevoegde orgaan, zodat het eenvoudiger kan zijn om de kosteloosheid te bewijzen.

Een mandataris kan ook weerleggen dat hij zijn functie uitoefent in België door aan te tonen dat hij zijn daadwerkelijke functie uitoefent in het buitenland.

Maar opgelet want zoals hierboven reeds gezegd is aan de Koning de mogelijkheid gegeven om te bepalen op welke wijze de vermoedens kunnen weerlegd worden. Het is dus afwachten of de Koning dit ook gaat doen en of hiermee opnieuw een beperking van de bewijsmogelijkheden wordt ingevoerd.