Gebotst op een onwettigheid na onteigening?

Na het doorlopen van de onteigeningsprocedure bij hoogdringendheid bij de Vrederechter kan de onteigenende overheid nog voor verrassingen te komen staan. In de herzieningsfase kan de rechter immers vaststellen dat de onteigening onwettig gebeurde, terwijl op dat moment de overheid het onteigende goed reeds in bezit genomen heeft en zelfs daarop haar beoogde project heeft gerealiseerd. De onteigende burger heeft schade geleden, maar hoe moet de overheid die vergoeden: teruggave van het goed of een geldsom als schadevergoeding bij equivalent?

De vrederechter duwt het gaspedaal in, ...

Tot haar grote ergernis vertraagde de gewone onteigeningsprocedure de plannen van de overheid die vaart wou maken met grootschalige projecten. Iemand onteigenen kan niet zonder procedurele waarborgen én dat vraagt nu eenmaal tijd. Bij de aanleg van de autosnelwegen in de jaren '60 van de vorige eeuw klemde dit des te meer. Daarom voerde de wetgever met de wet van 26 juli 1962 de onteigening in hoogdringende omstandigheden in om zonder al te veel juridische omwegen de particuliere gronden op de snelwegtracés te onteigenen aan 120 km/per uur.

De onteigenende overheid start die snelle onteigeningsprocedure op bij de Vrederechter. Die organiseert een eerste zitting en bezoekt het onteigende goed gelegen. Op die eerste zitting dient de onteigende meteen alle eventuele excepties over de onwettigheid van de onteigening op te werpen. De tijdsdruk is enorm en de onteigende zal zich vaak in snelheid gepakt voelen. Binnen achtenveertig uren moet de Vrederechter een tussenvonnis vellen waarin hij oordeelt of de eigendom wordt overgedragen en stelt een provisionele vergoeding vast. Na de opmerkingen van de partijen daarover te horen, kent de Vrederechter nadien een voorlopige vergoeding toe in het eindvonnis.
Zodra het tussenvonnis is uitgesproken, is de overheid eigenaar die het onteigende goed in bezit kan nemen. Het eindvonnis handelt enkel nog over de voorlopige onteigeningsvergoeding.

..., de herzieningsrechter maakt een noodstop.

Deze voorlopige vergoeding verkrijgt een definitief karakter, tenzij de onteigende binnen twee maanden de herziening aanvraagt voor de Rechtbank van Eerste Aanleg. De vraag rijst of de onteigende naast zijn pijlen te richten op de onteigeningsvergoeding zelf, ook de wettigheid van de onteigening nog kan aanvoeren voor de herzieningsrechter. Problematisch is dat de overheid inmiddels het onteigende goed al in bezit genomen kan hebben!

Het Hof van Cassatie heeft die vraag positief beantwoord. De filosofie achter de wet van 1962 is immers via de turboprocedure de overheid de kans te bieden snel het goed in bezit te nemen en de onteigende voorafgaandelijk te vergoeden. In de tweede fase voor de herzieningsrechter kan de onteigende zonder tijdsdruk het proces terug op gang brengen. Zelfs excepties van onwettigheid die hij op de eerste zitting voor de Vrederechter niet had opgeworpen, kunnen de overheid nu nog de das omdoen. Zelfs jaren na datum kan de herzieningsrechter de onwettigheid van de onteigening vaststellen. En zo wordt de parabel van de schildpad en de haas, voor de haastige overheid misschien op pijnlijke wijze bewaarheid.

De onwettigheid kan vele oorzaken hebben. Een andere overheid dan degene die bevoegd was, heeft bijvoorbeeld de procedure opgestart. De onteigening is niet nodig om de vooropgestelde doelstelling van algemeen belang te halen of die doelstelling is niet van algemeen belang, maar bijvoorbeeld privaat belang. Ook een gebrekkig gemotiveerd onteigeningsbesluit leidt tot een onwettige onteigening.

Als de overheid uit de bocht is gegaan, ...

De rechter die van oordeel is dat de onteigening onwettig voltrokken is, zal zich vervolgens over de vraag moeten buigen hoe de onteigende schadeloos te stellen. In eerste instantie zal hij moeten nagaan of het mogelijk is om het onteigend perceel terug te geven aan de onteigende. De rechter kan de onteigening nietig verklaren, bevelen het vonnis van de vrederechter uit de hypotheekregisters te schrappen en de overheid veroordelen tot teruggave van het onteigende goed en eventueel een bijkomende schadevergoeding. De onteigende dient wel de ontvangen onteigeningsvergoeding terug te betalen.

In vele gevallen zal de overheid het onteigende goed al in bezit hebben genomen en daarop een project gerealiseerd hebben waardoor teruggave onmogelijk is. Dit is het geval wanneer het onteigende goed in een grootschalig project is geïncorporeerd. De rechter zal het particulier belang van de onteigende moeten afwegen aan het algemeen belang van het opgerichte project. Wanneer de overheid bijvoorbeeld een autostrade heeft aangelegd over het onteigende perceel, zal de teruggave inderdaad onmogelijk of zelfs niet meer wenselijk zijn. Nochtans is de onteigening onwettig gebeurd!

..., blijft de onteigende op de pechstrook staan?

Een schadevergoeding bij equivalent vormt dan het laatst mogelijke vangnet voor wie onterecht onteigend werd. Voor vele onteigenden zal dit slechts een doekje voor het bloeden zijn of, erger nog, een pyrrusoverwinning. Sommigen zijn immers van mening dat foutschade en onteigeningsschade hetzelfde zijn. De onteigende heeft dan geen recht op schadevergoeding heeft, omdat die met de onteigeningsvergoeding reeds een billijke vergoeding heeft verkregen.

Toch rijst de vraag of de onteigende niet meer schade lijdt door die onwettigheid. De overheid maakt immers misbruik van haar recht om te onteigenen. In haar evolutieve rechtspraak beschouwt het Hof van Cassatie de theorie van het rechtsmisbruik steeds meer als een algemeen rechtsbeginsel. Weegt het voordeel dat de overheid geniet door onwettig te onteigenen niet onevenredig zwaar op tegen het nadeel voor de onteigende? Daardoor lijdt de onteigende schade die verder strekt dan de onteigeningschade. Het is evenwel niet eenvoudig om die bijkomend geleden schade te bewijzen, zoals bijvoorbeeld morele schade.

Ook kan een verschil in benaderingswijze bestaan. Het tijdstip waarop de rechter de schade moet begroten is verschillend. Bij een wettige onteigening is dit het moment waarop de Vrederechter het eerste tussenvonnis uitspreekt. Bij een onwettige onteigening daarentegen is dat het moment waarop de herzieningsrechter zijn einduitspraak doet. De onteigende heeft dan recht op de beste prijs die hij voor het onteigende goed had kunnen bekomen gedurende de periode van de onwettige buitenbezitstelling.
Bij een onteigeningsvergoeding mag de rechter bijvoorbeeld ook geen rekening houden met de bestemming van het ruimtelijke uitvoeringsplan waarvoor onteigend werd. De onteigeningsvergoeding is planneutraal. Bij een schadevergoeding wegens onwettigheid kan dat wel.

De onteigeningsprocedure bij hoogdringendheid verloopt in twee fases. Door de snelheid van de procedure voor de Vrederechter, moet de herzieningsrechter achteraf soms vaststellen dat de onteigening onwettig is gebeurd. De rechter zal nagaan of teruggave mogelijk is en kent in het tegenovergestelde geval een schadevergoeding toe. Ons kantoor heeft een brede expertise opgebouwd om samen met u de juiste strategie te bepalen om in het kluwen van de onteigeningsmaterie de juiste weg in te slaan.