Wettelijke verankering van de Antigoonrechtspraak ivm onregelmatig verkregen bewijs

Procedurefouten beroeren met de regelmaat van de klok de publieke opinie, zeker wanneer daardoor een belangrijke zaak op de helling wordt gezet.

In strafzaken is onregelmatig verkregen bewijs evenwel niet noodzakelijk nietig. Indien het bewijs de door het Hof van Cassatie ontwikkelde Antigoon-toets doorstaat, kan het bewijsmateriaal verder gebruikt worden. Slechts in drie gevallen is het onregelmatig verkregen bewijs nietig:
1) Wanneer de wetgever uitdrukkelijk heeft bepaald dat een bepaalde vormvoorwaarde op straffe van nietigheid is voorgeschreven.
2) Wanneer de onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs aantast.
3) Wanneer het gebruik van het onregelmatig verkregen bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces.

In de laatste twee gevallen ontwikkelde het Hof van Cassatie een aantal subcriteria teneinde de rechter in zijn beoordeling bij te staan: de ernst van het misdrijf, het al dan niet opzettelijk karakter van de vormfout, de impact van de fout op de schuldvraag.

Buiten deze drie gevallen zijn de onregelmatig verkregen bewijselementen niet nietig en kunnen zij wel degelijk het bestaan van een misdrijf bewijzen.

Met de Wet van 24 oktober 2013 worden deze principes ingeschreven in artikel 32 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering (inwerkingtreding op 22 november 2013). Op die manier wordt de rechtspraak van het Hoogste Gerechtshof i.v.m. onregelmatig verkregen bewijs wettelijk verankerd.