Vers van de (druk)pers": Hof van assisen bevoegd voor strafbare meningen

Weblogs, websites, email, Facebook, Twitter, ... Internet en sociale media maken een integraal deel uit van ons dagelijks leven. We kunnen niet alleen in een razend tempo informatie opzoeken en verspreiden, maar tevens op grote schaal meningen delen en kritieken spuien. Maar wat als ronduit beledigende of lasterlijke artikels of commentaren worden gepost ? Dient een strafbare mening die op het internet wordt verspreid aan hetzelfde regime te worden onderworpen als een "drukpersmisdrijf" ?

Een drukpersmisdrijf betreft traditioneel het uiten van een strafbare mening (bv. laster, eerroof, ...) in een "gedrukt" geschrift waaraan een daadwerkelijke publiciteit wordt gegeven. Overeenkomstig artikel 150 van de Grondwet is het hof van assisen bevoegd voor drukpersmisdrijven. Deze bevoegdheid van het hof van assisen, die nauw verbonden is met het principe van vrije meningsuiting, stamt uit een periode waar er van internet geen sprake was. Ook radio en televisie waren de grondwetgever onbekend. Het Hof van Cassatie hanteert traditioneel eveneens een letterlijke interpretatie van het begrip drukpers. De notie "drukpers" wordt omschreven als elke wijze van publicatie waarbij de reproductie van geschriften mogelijk is door methodes die met de drukpers een gelijkenis vertonen.1 In een arrest van 2 juni 2006 oordeelde het hoogste Gerechtshof dat televisie-uitzendingen geen expressievormen door gedrukte geschriften zijn.2

Door de opmars van de internetcultuur kon de vraag naar een hedendaagse invulling van de notie "gedrukt geschrift" niet lang uitblijven.

Met twee arresten van 6 maart 2012 gaat het Hof van Cassatie mee met zijn tijd door internetmedia tevens als drukpers te beschouwen.3 Deze ruimere interpretatie van het begrip "drukpers" lijkt te stroken met de ratio legis van de Grondwet die niet zozeer het technisch medium "pers" doch veeleer het "communicatiemedium" heeft willen beschermen.4 Ook in de recente rechtspraak van de feitenrechters worden berichten via websites beschouwd als "geschriften"5. Indien via deze media een strafbare mening wordt geuit die een effectieve verspreiding kent, dient dit misdrijf in principe dan ook voor het hof van assisen te worden gebracht.

In de praktijk wordt voor laster evenwel nooit een assisenprocedure opgestart.6 De strafrechtelijke aanpak van drukpersmisdrijven is met andere woorden geërodeerd tot een zuivere fictie hetgeen voor de pleger van dit misdrijf een feitelijk strafrechtelijke immuniteit en straffeloosheid teweegbrengt. Dit heeft enerzijds te maken met de vrijheid van meningsuiting, door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens hoog in het vaandel gedragen als zijnde "één van de essentiële fundamenten van een democratische maatschappij". Anderzijds liggen organisatorisch redenen aan grondslag van dit onbruik, met name de zwaarte en logheid van de assisenprocedure.7

Met de arresten van 6 maart 2012 heeft het Hof van Cassatie de feitelijke straffeloosheid uitgebreid tot strafbare meningen die op het internet worden gepubliceerd.

Kan men dan gelijk wat beweren op Facebook of Twitter ? Wie het slachtoffer wordt van lasterlijke, beledigende of andere onrechtmatige, kwetsende of privacy-schendende uitingen kan via burgerlijke weg trachten zijn gram te halen en een schadevergoeding eisen. Uitzonderlijk kan ook een stakingsbevel via de kortgedingrechter.

Op één vlak werd de strafrechtelijke weg wel ge(re)activeerd, met name wanneer de strafbare meningsuiting, verspreid in een geschrift, is ingegeven door racisme of xenofobie. Onder impuls van het UNO-verdrag van 7 maart 19668 werden de verdragsluitende partijen verplicht om onverwijld positieve maatregelen te treffen die erop gericht zijn op een efficiënte wijze een einde te maken aan elke vorm van rassendiscriminatie. Artikel 150 van de Grondwet werd in die zin aangepast dat dergelijke misdrijven niet langer tot de bevoegdheid van het hof van assisen behoren, maar aan de correctionele rechtbank worden toevertrouwd. Aldus kwam er voor deze specifieke categorie van drukpersmisdrijven een einde aan de hogervermelde straffeloosheid.

Dit is tevens het geval indien dergelijke drukpersmisdrijven worden gepleegd via internetfora. Wie op een website of weblog aanzet tot racisme of vreemdelingenhaat geniet bijgevolg geen strafrechtelijke immuniteit doch valt onder de effectieve bevoegdheid van de professionele rechters van de correctionele rechtbank.

Anders is het dan weer voor drukpersmisdrijven die aanzetten tot discriminatie wegens geloof of seksuele geaardheid. Voor deze drukpersmisdrijven blijft het hof van assisen wel de natuurlijke rechter. Wie zich bijgevolg in een geschrift of op internet racistisch uitlaat over de afkomst van een persoon dient zich te verantwoorden voor de correctionele rechtbank, terwijl degene die zich denigrerend uitlaat over de seksuele geaardheid van een persoon strafrechtelijk vrijuit gaat. Gelet op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Vejdeland e.a. tegen Zweden9 lijkt dit onderscheid niet verantwoord.

Meer algemeen lijkt een strafrechtelijke immuniteit een gevaarlijk privilege. Vanuit rechtsvergelijkend oogpunt vormt België op dit vlak een uitzondering. Een mogelijke piste zou erin kunnen bestaan om alle drukpersmisdrijven te onttrekken aan de bevoegdheid van het hof van assisen en toe te vertrouwen aan de correctionele rechtbank, met daarbij eventueel een monopolie voor het Openbaar Ministerie - met uitsluiting van de burgerlijke partij - betreffende het op gang brengen van de strafvordering. Deze piste kon bij de recente wijziging van het hof van assisen evenwel op weinig bijval rekenen.

 1 Cass. 25 oktober 1909, Pas. 1909, I, 416.
 2 Cass. 2 juni 2006, JLMB 2006, 1403, noot F. Jongen en RW 2009-10, 320.
 3 Cass. 6 maart 2012, AR P.11.1374.N. en Cass. 6 maart 2012, AR P.11.0855.N. Zie tevens Brussel 17 maart 2010, JT 2010, 506, noot Q. Van Enis en T.Strafr. 2011, 447, noot E. Brewaeys.
 4 Zie tevens: E. Brewaeys, "Van Gutenberg tot internet" (noot onder Brussel 17 maart 2010), T.Strafr. 2011, 448 ev.
 5 Zie bv. Brussel 13 april 2010, AM 2010, 579 en Antwerpen 20 december 2006, AM 2008, 133.
 6 Een studie van de rechtspraak toont aan dat omzeggens geen drukpersmisdrijven voor het hof van assisen worden gebracht. In de loop van de laatste vijftig jaren betreft het slechts twee zaken (bv. Assisen Bergen 23 juni 1994).
7 Zie tevens B. Delbecke, "Waarom drukpersmisdrijven niet meer voor de jury komen", NJW 2010, 807.
8 Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, opgemaakt te New York op 7 maart 1966 en goedgekeurd door de Wet van 9 juli 1975.
9 EHRM 9 februari 2012, nr. 1813/07, Vejdeland e.a. t. Zweden.

Lore GYSELAERS
Advocaat