Onderhoudsbijdragen en de fiscus

Scheiding: vergeet de fiscus niet!

Wanneer er zich echtelijke moeilijkheden voordoen, moet je zo snel mogelijk regelingen treffen: partijen zoeken uit wie de gezinswoning dient te verlaten; er wordt in een verblijfsregeling voor de kinderen voorzien; er wordt bepaald op welke manier schulden verder tijdelijk afbetaald zullen worden.

Tevens dienen financiële aspecten van een scheiding vastgelegd te worden: dient er een onderhoudsbijdrage voor de kinderen betaald te worden? maakt men aanspraak op een persoonlijk onderhoudsgeld? wie ontvangt verder het kindergeld?

Aan alle financiële regelingen hangt steeds een fiscaal luik vast, waar partijen vaak geen rekening mee houden in het kader van onderhandelingen. De afspraken die men gemaakt heeft, lijken vaak niet meer zo gunstig te zijn, wanneer men achteraf vanwege de fiscus de rekening gepresenteerd krijgt.

In huidige bijdrage geven wij u een kort overzicht van de drie belangrijkste fiscale bepalingen die men niet uit het oog mag verliezen bij het opstellen van regelingen in geval van feitelijke scheiding of echtscheiding.

1. Fiscaal statuut van onderhoudsuitkeringen

1.1

Overeenkomstig de bepalingen van het Belgische Wetboek Inkomstenbelasting zijn onderhoudsuitkeringen in hoofde van de onderhoudsplichtige voor 80% aftrekbaar aan de marginale aanslagvoet, aan het belastingtarief op de hoogste inkomensschijf in de personenbelasting.

Deze aftrek geldt echter enkel wanneer aan een aantal voorwaarden voldaan is:

- In de eerste plaats dienen de uitkeringen betaald te zijn in uitoefening van een in de wettekst opgesomde onderhoudsverplichting. Het volstaat derhalve niet dat de betaling van een uitkering in een overeenkomst of vonnis is vastgelegd opdat men van de fiscale aftrek kan genieten.

Denken we bijvoorbeeld aan partners die slechts feitelijk samenwonen en na het beëindigen hiervan overeenkomen dat de ene partner aan de andere een bijdrage blijft leveren. Aangezien er in het kader van een feitelijke samenwoning geen wettelijke onderhoudsverplichting bestaat, kan men niet genieten van een fiscale aftrek voor dergelijke uitkeringen, zelfs niet wanneer de betaling van een bijdrage in een vonnis werd bevestigd.

Zelfs wanneer in een vonnis voorzien werd in betaling van een onderhoudsbijdrage, leidt dit niet noodzakelijkerwijze tot een aftrekmogelijkheid. Enkel wanneer de fiscus van oordeel is dat de betaling binnen de contouren van enige wettelijke onderhoudsverplichting blijft.

Anderzijds is het ook helemaal niet noodzakelijk dat het betalen van een onderhoudsbijdrage in een vonnis werd vastgelegd om van een aftrek te kunnen genieten wanneer de bijdrage een alimentair karakter heeft.

- Ten tweede mag de onderhoudsgerechtigde geen deel uitmaken van het feitelijk gezin van de onderhoudsplichtige op het moment dat de bijdrage betaald wordt.

Ook al staat men op verschillende adressen ingeschreven, dan nog zou de fiscus kunnen nagaan of men niet huiselijk samenleeft en samenwoont, zonder tijdelijke onderbrekingen uit te sluiten.

Concreet volgt uit deze tweede voorwaarde dat de fiscale aftrek voor betaalde onderhoudsgelden niet gecumuleerd kan worden met het fiscaal voordeel van het ten laste hebben van kinderen, met verhoging van de belastingvrije som tot gevolg.

- Sedert de hervorming van het belastingrecht in 1992 werd als derde voorwaarde voorzien dat betalingen van onderhoudsbijdragen op regelmatige wijze dienen te gebeuren.

Het hoeft niet noodzakelijk om maandelijkse betalingen te gaan. Evenmin is vereist dat steeds dezelfde bijdrage betaald wordt. Wel moet er een zekere regelmaat in de betalingen terug te vinden zijn.

Dit betekent verder ook dat de aanzuivering van achterstallige onderhoudsgelden principieel fiscaal niet aftrekbaar is. Enkel wanneer de achterstallen in een gerechtelijke beslissing werden vastgelegd (bijvoorbeeld ingevolge retroactieve vaststelling of verhoging) en tevens voldaan is aan de andere voorwaarden voor fiscale aftrekbaarheid, kan men genieten van het fiscaal voordeel van de aftrek van de bijdragen voor 80% wanneer de achterstallen uitbetaald werden in een ander jaar dan waarop de achterstallen betrekking hebben.

- Tenslotte moet door de onderhoudsplichtig daadwerkelijk betaald geworden zijn aan de onderhoudsgerechtigde. Deze betaling dient niet noodzakelijk een geldsom te betreffen. Ook betalingen aan derden (aanzuivering van schulden) of betalingen in natura worden door de fiscus aanvaard, voor zover ze effectief bewezen kunnen worden, zulks met alle middelen van recht.

1.2

Daar waar de onderhoudsplichtige kan genieten van een fiscale aftrek van de betaalde onderhoudsbijdragen, wordt de onderhoudsgerechtigde op zijn beurt belast op 80% van de ontvangen bijdragen. In regelingen zou door partijen tevens voorzien kunnen worden dat de onderhoudsplichtige niet alleen instaat voor betaling van bepaalde onderhoudsbijdragen, doch tevens voor betaling van de hierop verschuldigde belastingen.

Het voorgaande geldt wanneer aan alle voormelde voorwaarden voldaan is: daadwerkelijke en regelmatige betaling in het kader van een wettelijke onderhoudsverplichting aan persoon die geen deel uitmaakt van het gezin. Het is niet noodzakelijk dat de onderhoudsplichtige de bijdragen heeft afgetrokken opdat ze voor de onderhoudsgerechtigde belastbaar zijn.

Men mag ook niet vergeten dat de belasting geldt in hoofde van diegene die recht heeft op de bijdragen. Onderhoudsgelden voor de kinderen die aan één van de ouders uitbetaald worden, dienen niet door die ouder als inkomen aangegeven te worden, doch wel door de betreffende kinderen zelf. Men mag niet vergeten dat wanneer zeer hoge onderhoudsgelden voor de kinderen betaald worden, dit wel eens tot gevolg zou kunnen hebben dat de kinderen niet langer als fiscaal ten laste beschouwd kunnen worden en men dit fiscaal voordeel verliest (cfr. infra).

1.3

In de praktijk rijst vaak de vraag of en hoe het onderhoudskapitaal, zijnde één belangrijke som die uitbetaald wordt voor het verdere onderhoud van de gerechtigde, in het vooropgestelde fiscale plaatje past.

Voor wat betreft de onderhoudsplichtige is het eenvoudig: mogelijkheid tot fiscale aftrekbaarheid à rato van 80% in het jaar van de betaling.

Voor de onderhoudsgerechtigde is de situatie ietwat anders: deze wordt niet eenmaal belast op de totaliteit van het kapitaal. Belasting gebeurt slechts op een fractie van het ontvangen kapitaal, meer bepaald op 80% van een fictieve rente, dit verder levenslang. In sommige gevallen is deze fiscale tegemoetkoming zeer gunstig voor de onderhoudsgerechtigde en loont het zeker de moeite om een onderhoudskapitaal te berekenen.


2. Voordeel van het kind ten laste

Door het feit dat men kinderen ten laste heeft, zal de belastingvrije som verhoogd worden.

Men kan kinderen echter slechts ten laste hebben wanneer deze daadwerkelijk feitelijk deel uitmaken van het gezin op 1 januari van het aanslagjaar (cfr. supra: geen cumul met fiscale aftrekbaarheid betaalde onderhoudsgelden). De domiciliëring van de kinderen is niet noodzakelijk om kinderen ten laste te hebben.

Cijfermatig betekent het fiscaal voordeel van het ten laste hebben van kinderen het volgende:

aanslagjaar 2011 aanslagjaar 2012
1 kind 1.370,00 EUR 1.400,00 EUR
2 kinderen 3.520,00 EUR 3.590,00 EUR
3 kinderen 7.880,00 EUR 8.050,00 EUR
4 kinderen 12.750,00 EUR 13.020,00 EUR
bijkomend kind + 4.870,00 EUR + 4.970,00 EUR

alleenstaande met
kinderlast 1.370,00 EUR 1.400,00 EUR

kinderen – 3j 510,00 EUR 520,00 EUR

Het bijkomend voordeel van het ten laste hebben van kinderen beneden 3 jaar kan echter niet gecumuleerd worden met het fiscaal voordeel betreffende de opvang van jonge kinderen.

Zoals eerder reeds aangehaald kunnen kinderen slechts fiscaal ten laste zijn wanneer zij de wettelijke grenzen van de toegelaten bestaansmiddelen (ontvangen onderhoudsgelden, gelden uit vakantiewerk) niet overschrijden.


3. Specifieke regeling in geval van gelijkmatig verdeelde huisvesting van de kinderen

Voor kinderen die principieel even veel tijd doorbrengen bij de ene ouder als bij de andere in het kader van een zogenaamd co-ouderschap, werd in een bijzondere fiscale regeling voorzien.

In de wet werd een mogelijkheid ingeschreven om bij een gelijkmatig verdeelde huisvesting de toeslag op de belastingvrije som ingevolge het fiscaal ten laste hebben bij helften te verdelen tussen beide ouders.

Voorwaarde is wel dat de rechtbank uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat er een gelijkmatig verdeelde huisvesting van toepassing zal zijn of dat zulks expliciet in een overeenkomst werd opgenomen, die nadien geregistreerd of gehomologeerd wordt. Bovendien moet duidelijk vermeld worden dat men van het voordeel van de verdeling wenst te genieten.

Deze regeling geldt wel enkel voor minderjarige kinderen en derhalve niet voor reeds meerderjarige doch nog schoolgaande kinderen. Zij leidt er tevens toe dat onderhoudsgelden die mogelijks nog betaald dienen te worden niet fiscaal aftrekbaar zijn.

Deze specifieke regeling lijkt derhalve slechts in welbepaalde gevallen aantrekkelijk te zijn.


Met voorgaande uiteenzetting hebben wij enkele aspecten van de fiscale gevolgen willen verduidelijken van regelingen die men na scheiding kan treffen. Het betreft slechts een summier en niet alomvattend overzicht van enkele fiscale bepalingen.

Wij kunnen samen met u nagaan welke regeling voor u niet alleen financieel, maar uiteindelijk ook fiscaal het meest gunstig is.


Caroline BOVEN
Advocaat