Het is toch mijn huis

Statistieken bevestigen het fenomeen.

Jongeren stellen hen huwelijk of wettelijke samenwoning met hun geliefde steeds langer uit.
Meestal heeft één van hen, vooraleer de belangrijke stap wordt gezet, reeds bouwgrond gekregen van de ouders.
De jongere heeft ondertussen ook de gelegenheid gekregen een aardige duit te kunnen sparen en beslist dan op de beschikbare grond een huis te bouwen waarvoor ter financiering een langlopende en meestal goedkope hypothecaire lening wordt aangegaan.

Maar de liefde overwint dan elke twijfel en het koppeltje besluit te huwen.
Tijdens het huwelijk wordt de hypothecaire lening verder terugbetaald met gelden van de huwgemeenschap.

Na 20 jaar houdt ons koppeltje het voor bekeken en volgt een echtscheiding, wat eveneens de vereffening voor gevolg heeft van de bestaande huwgemeenschap.

In dit kader eist de echtgenoot die geen eigenaar is van het onroerend goed een vergoeding voor de betalingen die tijdens het huwelijk met gelden uit het gemeenschappelijk vermogen werden verricht. (transfer)

Hiervoor beroept hij/zij zich op artikel 1435 B.W.

De partij die eigenaar is van de grond waarop het huis werd gebouwd voor het huwelijk werpt op dat er geen vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen en dus ook geen herwaardering kan geschieden van dit onroerend goed vermits de verkrijging (eigendom) van het goed niet tijdens het huwelijk had plaatsgevonden maar precies vóór het afsluiten van dit huwelijk.

De wederpartij voert echter aan dat ook de vergoeding voor transfers uit een vermogen vóór de verkrijging van een goed door een ander huwelijksvermogen vóór het huwelijk geherwaardeerd moet worden.

De discussie is zo fundamenteel dat een prejudiciële vraag werd gesteld aan ons Grondwettelijk Hof.

Op 16.09.2010 velt dit Hof een arrest en zegt voor recht wat volgt :

"Geïnterpreteerd in die zin dat het voor de berekening van de rekeningen en terugnemingen en vergoedingen niet toelaat rekening te houden met de waardevermeerdering van een eigen goed dat één van beide echtgenoten vóór het huwelijk bezat en dat een financiële last heeft doen ontstaan voor de gemeenschap, schendt artikel 1435 B.W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet."

Voortaan zal dus ook de financiële deelname van het gemeenschappelijk vermogen in de kosten voor de verkrijging (lees : afbetaling) van een eigen goed steeds geherwaardeerd worden en dit ongeacht het tijdstip waarop het goed werd verworven.

Welke lering kan nu uit het bovenstaande worden getrokken?

Het is zondermeer aan te raden voor het afsluiten van het huwelijk bij de notaris van uw keuze duidelijke afspraken en overeenkomsten te maken omtrent uw vermogen, zowel op het ogenblik van het afsluiten van het huwelijk en wat de gevolgen zijn wanneer het huwelijk wordt ontbonden door een echtscheiding.

Er wordt in het algemeen op het ogenblik van het sluiten van een huwelijk te weinig aandacht besteed aan de financiële repercussies die kunnen ontstaan door dat men ondoordacht heeft gehandeld.


Arne VAN DER GRAESEN
Advocaat-vennoot