Beperking onderscheid "arbeider-bedienden" in de tijd

Arrest van het Grondwettelijk Hof van 7 juli 2011 beperkt onderscheid "arbeider-bedienden" in de tijd


In minder dan 2 jaar, meer precies op 8 juli 2013, moeten alle verschillen in de statuten van arbeiders en bediende verdwijnen. Het geduld van het Grondwettelijk Hof is op.

Aldus een recent arrest van het Grondwettelijk Hof dd. 7 juli 2011 naar aanleiding van een prejudiciële vraag gesteld in een procedure hangende voor de arbeidsrechtbank te Brussel, waarbij een arbeider ontslagen werd met een opzegtermijn van 28 dagen.

Bij een arrest van 8 juli 1993, deed het Grondwettelijk Hof vroeger reeds een uitspraak over de verenigbaarheid van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en het verschil in behandeling tussen arbeiders en bedienden op het vlak van opzegtermijnen. Het verklaarde toen dat het onderscheid "bezwaarlijk objectief en redelijk verantwoord" kon worden genoemd.

Ondanks deze duidelijk uitspraak, koos het Hof toen voor een geleidelijke toenadering tussen de beide statuten. De wetgever kreeg de nodige tijd het harmonisatieproces tussen beide statuten te realiseren.

Thans is het geduld van het Grondwettelijk Hof op en heeft het categoriek geoordeeld dat het onderscheid wel degelijk ongrondwettelijk is.

De tijd waarover de wetgever beschikt om het onderscheid op te heffen is niet onbegrensd en duurt nu al 18 jaar! De toestand van manifeste ongrondwettigheid kan niet langer worden bestendigd. Het recente initiatief van de wetgever, met name de wet van 12 april 2011, betreffende de substantiële wijzigingen in de opzegtermijnen is wel een stap in harmonisatie, maar niet voldoende na 18 jaar.

Een prejudicieel arrest heeft echter, zonder de ongrondwettige bepaling uit de rechtsorde te doen verdwijnen, een effect dat het geschil overstijgt dat hangende is voor de rechter die de prejudiciële vraag heeft gesteld. Die rechter, evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, dient de ongrondwettig bevonden bepaling buiten toepassing te laten.

Dit betekent dat zonder verdere maatregelen het Grondwettelijk Hof door deze uitspraak de huidige opzegtermijnen van de arbeiders als ongrondwettig maakt t.a.v. de opzegtermijnen van bedienden.

Om toch met zo'n uitspraak geen onmiddellijke rechtsonzekerheid te creëren, heeft het Grondwettelijk Hof uitdrukkelijk bepaald dat de gevolgen van de wetsbepalingen omtrent de opzegtermijnen gehandhaafd worden totdat de wetgever nieuwe bepalingen aanneemt en uiterlijk tot 8 juli 2013.

Wat betekent dit nu voor ontslagbeslissingen omtrent arbeiders?
Tot 8 juli 2013 zal er niets veranderen, behoudens de wijziging vanaf 1 januari 2012, waarbij de opzegtermijnen van bedienden vaste opzegtermijnen zullen worden.

Maar wat als de wetgever de wijziging in de statuten van arbeiders en bedienden niet realiseert uiterlijk 8 juli 2013?
Arbeiders die ontslagen worden vanaf 9 juli 2013, zullen met succes en op basis van voorliggend arrest, de geldende opzegtermijn van bedienden kunnen opeisen.
Wij kunnen dan ook alleen maar hopen dat de wetgever en de sociale partners er nu in slagen om tot een akkoord te komen. Immers een dergelijke rechtsonzekerheid van juridische discussies en procedures bij ontslag van een arbeider, is voor elk van de partijen een nutteloze en tijdrovende situatie die absoluut moet worden vermeden, goedschiks of kwaadschiks.


Linda LEMMENS
Advocaat