Moderne communicatiemiddelen in het recht

De kranten berichten weer over de hertekening van het juridische landschap en de creatie van een eenheidsloket.

Het is allemaal toekomstmuziek.

Ondertussen moeten wij vaststellen dat de communicatie met justitie en binnen justitie via moderne communicatiemiddelen nog steeds niet spoort met het dagelijks gebruik van de computer, het internet, de e-mail en andere communicatiemiddelen in de bedrijfswereld en in de samenleving.

Het Themis-project is ter ziele gegaan en ook het Phoenix-project en de Commissie Modernisering van de Rechterlijke Orde malen traag en laten de deelnemers aan de rechtsprekende functie dikwijls wat verweesd achter.

In de bedrijfswereld worden meer en meer contracten via elektronische weg gesloten.

Men realiseert zich echter onvoldoende dat wanneer er naar aanleiding van deze overeenkomsten betwistingen ontstaan die uiteindelijk via de rechtbanken moeten beslecht worden de proces-partijen zich moeten houden aan de bewijsregels voorzien in het Burgerlijk Wetboek (artikel 1322, lid 2 B.W.) en in de bijzondere wet van 9 juli 2001 houdende de vaststelling van bepaalde regels in het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten.

Onderaan een traditioneel geschreven overeenkomst vindt men gebruikelijk de eigenhandig geplaatste handtekening der contractpartners en kan de ene contractpartner bewijzen dat het de andere partij is die de overeenkomst heeft gesloten en zich met de inhoud ervan heeft akkoord verklaard.

Wordt de rechter geconfronteerd met een contract dat via elektronische weg is gesloten moet hij wanneer de handtekening door één der contractpartners wordt betwist artikel 1322 lid 2 B.W. toepassen dat het volgende zegt :
"Kan, voor de toepassing van dit artikel, voldoen aan de vereisten van een handtekening, een geheel van elektronische gegevens dat aan een bepaalde persoon kan worden toegerekend en het behoud van de integriteit van de inhoud van de akte aantoont."

De rechter moet dus zorgvuldig nagaan of het aan hem voorgelegde contract is tot stand gekomen met een techniek of een werkwijze die hem toelaat de elektronische gegevensverzameling toe te rekenen aan de personen die voorhouden het contract te hebben onderschreven (gehandtekend) en/of de inhoud van de overeenkomst wel degelijk integer is gebleven.

Vooral dit laatste is problematisch.

Hoe kan je nu bewijzen of aantonen dat de inhoud van de voorgelegde outprint van het contract dat via elektronische weg is gesloten wel degelijk de tekst is die je bedoeld hebt te ondertekenen en waarin intussen niets is gewijzigd.

Contracten gesloten per mail, met ingescande handtekening in een Word-document, zijn immers geen garantie dat de gereproduceerde inhoud identiek is aan de inhoud op het ogenblik van het afsluiten van het akkoord.

Precies om hieraan te verhelpen introduceerde de wetgever de wet van 9 juli 2001.

De rechter die kennis neemt van een elektronisch ondertekend document moet (verplichting) nagaan of er sprake is van een geavanceerde elektronische handtekening gerealiseerd op grond van een gekwalificeerd certificaat dat aangemaakt is met een veilig middel.

Artikel 4 § 4 van de voornoemde wet bepaalt immers het volgende :

"Onverminderd de artikelen 1323 e.v. B.W. wordt een geavanceerde handtekening, gerealiseerd op basis van een gekwalificeerd certificaat en aangemaakt door een veilig middel voor het aanmaken van een handtekening geassimileerd met een handgeschreven handtekening ongeacht of deze handtekening gerealiseerd wordt door een natuurlijke dan wel door een rechtspersoon."

De rechter beschikt bij de beoordeling van deze vereisten over een grote vrijheid waarbij hij het voorgelegde document kan aanvaarden als een volwaardige onderhandse akte of als een begin van bewijs door geschrift, of slechts als een vermoeden.

Wat is voorgeschreven in artikel 1322 lid 2 B.W. geldt als bewijsregeling in burgerlijke zaken.

Het bewijs in handelszaken is niet zo strikt geregeld.

Wanneer handelaars elektronisch contracteren en voldoet de gebruikte elektronische handtekening niet aan de voorwaarden van artikel 4 § 4 van de wet van 9 juli 2001 dan mag de rechter in handelszaken de onvolkomen elektronische handtekening toch aanvaarden als geldig bewijs van de rechtshandeling.

Wij raden onze klanten nog steeds aan het via elektronische weg gesloten contract veiligheidshalve in papieren versie te bewaren en het t e laten voorzien met originele handgeschreven handtekening van de contracterende partijen.

Er van uitgaan dat je in de juridische wereld bepaalde voorschriften (bv. een aangetekende brief) mag vervangen door een e-mail omdat dit logisch blijkt te zijn en kadert binnen de evolutie van het gebruik van moderne communicatiemiddelen, kan je zuur opbreken.

Dit blijkt uit een arrest van het Hof van Beroep van Gent dat onlangs werd uitgesproken.

Een bedrijf ontvangt via een deurwaarder een uitvoerend beslag onder derden.

Een werknemer van dit bedrijf had namelijk schulden en de schuldeiser had een vonnis bekomen dat hij wenst uit te voeren lastens de werknemer.

Vermits het bedrijf regelmatig en op gezette tijdstippen loon verschuldigd was aan de werknemer had de schuldeiser opdracht gegeven aan de gerechtsdeurwaarder om bij het bedrijf een uitvoerend beslag onder derden te leggen.

De wet voorziet dan dat het bedrijf (derde beslagene) een nauwkeurige en tijdige verklaring moet afleggen als derde beslagene en deze per aangetekende brief moet verzenden of afgeven tegen ontvangstbewijs binnen de 15 dagen na het gelegde beslag en dit respectievelijk aan de beslaglegger of aan de gerechtsdeurwaarder die voor hem is opgetreden, alsook aan de beslagen schuldenaar.

Het bedrijf had klaarblijkelijk deze formaliteit niet correct nageleefd.

Het had namelijk telefonisch en per e-mail aan de gerechtsdeurwaarder laten weten dat zij geen loon meer verschuldigd was aan de werknemer.
Het gevolg hiervan was dat het Hof artikel 1542, 1° lid Ger.W. toepast zodat het bedrijf, vermits niet kon aangetoond worden dat zij de verklaring als derde beslagene had gedaan binnen de 15 dagen na het derdenbeslag, zelf schuldenaar werd verklaard voor het geheel of een gedeelte van de oorzaken van het beslag alsmede voor de kosten daarvan.

Het Hof benadrukte in haar motivering zeer duidelijk welke de verplichtingen zijn van een handelaar.

Het Hof oordeelt namelijk dat een handelaar weet of minstens behoort te weten hoe zij haar desbetreffende verplichtingen als derde beslagene dient na te komen en dat zij zeker weet waar of hoe zij zich dienaangaande kan informeren.

De wet voorzag namelijk duidelijk dat de verklaring diende te geschieden per aangetekende brief.

Het verzenden van een e-mail beantwoordt niet aan de formaliteiten die terzake zijn voorgeschreven.

Streng maar rechtvaardig ?



Ga er dus niet altijd automatisch van uit dat wanneer je een wettekst leest dat bepaalde formaliteiten die voorzien zijn mogen vervangen worden door het gebruik van andere en modernere communicatiemiddelen.


Arne VAN DER GRAESEN,
advocaat-vennoot.