Oneerlijke concurrentie: iedereen (on)gelijk voor de wet ?

Elke onderneming, groot of klein, ervaart dagdagelijks de zware last die door de overheid op de schouders van haar bestuurders wordt gelegd om zich, in niet altijd even redelijke en gelijke mate, met alles en nog wat in regel te stellen. De sancties bij niet naleving zijn veelal zwaar en niet altijd in verhouding.

Elke onderneming, groot of klein, zal in de praktijk vroeg of laat wel eens geconfronteerd worden met een voormalige werknemer of vennoot die in dubieuze omstandigheden een concurrerende activiteit opstart of met een concurrent die de wettelijke verplichtingen aan zijn laars lapt en daardoor een concurrentievervalsende activiteit voert.

Zo creatief en uiteenlopend als de handelspraktijk kan zijn, zo creatief en uiteenlopend kan een concurrent ook zijn in de gedragingen en/ of de domeinen waarin hij zich niet aan de regels van eerlijke concurrentie houdt. Zo kan bijvoorbeeld een concurrentievervalsing ontstaan doordat de ene ondernemer zich wèl aan alle wettelijke en reglementaire stedenbouwkundige voorschriften houdt en de andere niet.

De WHPC (Wet handelspraktijken), waarvan de laatste belangrijkste wijziging dateert van 26 september 2007, heeft de bestrijding van oneerlijke concurrentie reeds lange tijd geleden (nl. 30.07.1971, opgeheven door de nieuwe wet van 14.07.1991) in één wet samengebracht en biedt de benadeelde partij met de stakingsvordering een krachtdadig instrument om voor de stakingsrechter, veelal op straffe van een dwangsom, de onmiddellijke stopzetting te kunnen vorderen van de met de eerlijke concurrentie strijdige daden.

De frustratie van een ondernemer is volkomen begrijpelijk wanneer hij daartoe echter ook het initiatief moet nemen in aangelegenheden waarin de overheid zelf zou moeten optreden doch dit, om vaak willekeurige of andere niet objectiveerbare redenen, in gebreke blijft te doen, zoals bijvoorbeeld ingeval van schending van sectoriële wetten (gebrek aan sociaal-economische vergunning) en/of andere stedenbouwkundige bepalingen.

Een tweede bijkomend probleem stelt zich dan in de vraag of de stakingsrechter op grond van de WHPC hiervoor wel kan gevat worden.

Sommige (stakings)rechters hebben het hier kenbaar moeilijk mee en verwerpen een vordering tot staking die is gesteund op de schending van een wettelijke norm die, zoals bv. een stedenbouwkundige bepaling, geen rechtstreeks verband heeft met de concurrentiestrijd an sich of waarvan de naleving niet wordt afgedwongen door de overheid zelf.

In een zaak die recent op ons kantoor werd behandeld, kwam deze problematiek in al zijn facetten aan bod doordat de concurrent van een client, behoudens een aantal andere inbreuken op de wet handelspraktijken, een detailhandel uitbaatte in een zone voorbehouden voor ambachtelijke en KMO-bedrijven, waar detailhandel zonder een socio-economische vergunning niet is toegelaten, met de bovendien verzwarende omstandigheid dat voor de uitbating misleidende reclame werd gevoerd met een niet-vergunde reclameconstructie.

De wederpartij hield voor dat de Stakingsrechter niet bevoegd was om over het al dan niet zonevreemde karakter van haar activiteit te oordelen, net zomin als over de vergunningsproblematiek van de reclameconstructie.
In een uitvoerig en goed gemotiveerd vonnis van 5 december 2008 heeft de Stakingsrechter te HASSELT zich vooreerst bevoegd verklaard om van deze vordering wel degelijk kennis te kunnen nemen en heeft hij tevens herinnerd aan de terzake geldend principes.

Art. 94/3 WHPC vormt, zo stelt de stakingsrechter, de vertaling van art. 1382 B.W naar de handelspraktijken toe, en laat toe dat in beginsel elke wetsovertreding die bij de uitoefening van de handel wordt begaan, bestraft kan worden door de stakingsrechter.

Aan dit verordend optreden worden enkel de volgende grenzen gesteld :

- de wetschending moet plaatsvinden ter gelegenheid van de uitoefening van handel of beroep
- de wetschending moet de plano vaststaan, wat wil zeggen dat de stakingsrechter zelf moet kunnen vaststellen dat de schending voorhanden en overduidelijk is
- de schending van een wettelijke of reglementaire norm is geen met de eerlijke handelspraktijken strijdige daad wanneer die norm in strijd is met een hogere norm, wat wil zeggen dat de stakingsrechter de eventuele exceptie van onwettigheid (art. 159 G.W.) steeds zal moeten onderzoeken en de vordering tot staking zal moeten verwerpen indien hij tot de onwettelijkheid en/of strijdigheid met een hogere norm, zoals bv het gemeenschapsrecht, besluit;
- er moet schade en een oorzakelijk verband zijn
- er mag geen misbruik van recht zijn.


Hoewel de stakingsrechter in het voorliggend geschil de wetschending, met name dat een detailhandel wordt uitgebaat in een zone voorbehouden voor ambachtelijke en KMO- bedrijven, (ingevolge een m.i. omkering van de bewijslast) onvoldoende bewezen heeft verklaard omdat deze niet zonder meer vaststond, is het van groot belang dat hij zich zeer duidelijk heeft uitgesproken over zijn rechtsmacht om – ook bij ongelijke behandeling en/of stilzitten van de overheid – dankzij de WHPC sanctionerend te kunnen optreden.

Wat de reclameconstructie betreft, heeft de stakingsrechter geoordeeld dat hier wel duidelijk een inbreuk werd gepleegd op art. 3,4° van het Besluit van de Vlaamse Regering van 14.04.2000 en het niet respecteren van die wetgeving concurrentievervalsend werkt ten aanzien van andere bedrijven die zich wel aan die wetgeving houden.

Bijgevolg werd hiervoor – evenals voor andere inbreuken op de WHPC - wèl een stakingsbevel uitgesproken en werd zodoende een door de overheid in het leven gehouden onrechtmatige daad verboden.



Peter BOUTS
Advocaat – vennoot