Correcties door het Grondwettelijk Hof op de vernieuwde echtscheidingswetgeving

1.
Sedert de wet van 27 april 2007 werd de Belgische echtscheidingsprocedure ingrijpend veranderd. Terwijl in de oude regeling nog drie trajecten gevolgd konden worden om een echtscheiding te bekomen, m.n. op grond van fout, twee jaar feitelijke scheiding of een onderling akkoord, werd vanaf september 2007 gekozen voor een sneller en eenvoudiger tweeledig systeem. Partijen kunnen er nog steeds voor opteren om in onderling akkoord een einde te maken aan het huwelijk. Voortaan kan ook een procedure worden opgestart van zodra aangetoond is dat het huwelijk tussen partijen onherstelbaar ontwricht was.

"Onherstelbare ontwrichting" is thans dus hét sleutelwoord in de nieuwe Belgische echtscheidingswetgeving. Dit kan in de eerste plaats aangetoond worden op grond van allerlei feiten en omstandigheden, zoals ondermeer een betrapping op overspel, getuigen die wijzen op grove beledigingen. In de tweede plaats kan ook vermoed worden dat er sprake is van een onherstelbare ontwrichting wanneer de echtgenoten reeds gedurende een zekere periode feitelijk van elkaar gescheiden leven. Van zodra vaststaat dat men reeds meer dan zes maanden op aparte adressen verblijft, kan een gezamenlijk verzoek aan de Rechtbank gericht worden om de echtscheiding uit te spreken. Wenst slechts één van de echtgenoten een punt te zetten achter het huwelijk, dan moet een feitelijke scheiding van minstens één jaar bewezen worden.

Echtgenoten kunnen een echtscheiding niet alleen sneller laten uitspreken. De procedure die hiertoe gevolgd dient te worden, werd ook vereenvoudigd. Tenzij de vordering tot echtscheiding gegrond is op bepaalde feiten, dient niet langer een deurwaarder ingeschakeld te worden om de Rechtbank te vragen een uitspraak te doen. Het echtscheidingsverzoek kan in dergelijke gevallen bij eenvoudig verzoekschrift geformuleerd worden.

2.
In het licht van de nieuwe wetgeving werd ook de regeling in verband met de uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding aangepast. Waar onder het oude regime een dergelijke uitkering nog gezien werd als sanctie ten aanzien van de aan de scheiding "schuldige" echtgenoot, kan nu ieder van de echtgenoten trachten deze te bekomen op grond van het feit dat hij/zij in staat van behoefte verkeert. De "fout" is echter niet volledig uit de regeling verdwenen. Diegene die tot vergoeding wordt aangesproken, kan zich van deze verplichting immers nog bevrijden door ondermeer te bewijzen dat de andere zelf de (voortzetting van de) samenleving onmogelijk heeft gemaakt. Ook wanneer de staat van behoefte waarin men verkeert te wijten is aan de verzoekende partij zelf, kan de Rechtbank beslissen dat er geen uitkering verschuldigd is.

Een uitkering kan vanaf september 2007 principieel maar worden toegekend voor zolang het huwelijk tussen partijen geduurd heeft. Enkel in geval van buitengewone omstandigheden kan voormelde termijn verlengd worden.

Wanneer reeds voor de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 een onderhoudsuitkering na echtscheiding werd gevorderd en/of toegekend, dan blijven voor wat betreft de gerechtigdheid op een uitkering de oude principes van toepassing. De beperking van de duurtijd van de uitkering dient daarentegen ook op de oude vorderingen te worden toegepast, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet op 1 september 2007.

3.
Voorgaande regeling deed echter reeds vanaf de invoering ervan heel wat stof oplaaien. Werden hiermee verschillende categorieën van personen, nl. diegenen gehuwd voor en diegenen gehuwd na de nieuwe wetgeving, immers gelijk behandeld hoewel ze zich in fundamenteel verschillende situaties bevinden. En was de wettelijk voorziene overgangsregeling niet in strijd met het gezag van gewijsde dat aan rechterlijke beslissingen toekomt en de gewettigde verwachtingen van de personen die ze hadden verkregen?

Bij arrest nr. 172/2008 van 3 december 2008 gaf het Grondwettelijk Hof uitsluitsel over voormelde twee vragen in het kader van een beroep tot nietigverklaring van de betreffende wettelijke bepalingen.

Het Hof oordeelde ten eerste dat de toetreding tot het huwelijk voor echtgenoten niet de verwachting doet ontstaan dat de op dat moment bestaande wettelijke regeling betreffende echtscheiding van toepassing zal blijven. Men zal op dat moment niet het onherroepelijke recht verwerven uit de echt te scheiden met toepassing van de bepalingen van deze wet, ook al werd deze later aangepast. Volgens het Hof kon er in dat opzicht dan ook geen sprake zij van enige discriminatoire behandeling.

Daarnaast is er wel sprake van schending van het rechterlijk gezag van gewijsde wanneer in een vroeger vonnis de duur van de uitkering werd vastgelegd, en deze in het kader van de nieuwe wetgeving plots herleid zou worden tot de duur van het huwelijk.

Zelfs wanneer de rechter vóór september 2007 een uitkering na echtscheiding toekende zonder deze in de tijd te beperken wordt door de nieuwe wettelijke regeling afbreuk gedaan aan de gewettigde verwachtingen van de personen die een uitkering hadden bekomen in het licht van en volgens de principes van de oude regelgeving.

Uiteindelijk kwam het Grondwettelijk Hof dan ook tot het besluit dat het niet redelijk verantwoord is om de nieuwe regeling met betrekking tot de duur van de uitkering na echtscheiding onverkort toe te passen ten aanzien van diegenen die reeds een uitkering hadden bekomen bij definitief vonnis vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet. Het betreffende wetsartikel werd dan ook vernietigd en mag niet langer worden toegepast.

4.
Voormelde uitspraak heeft tot gevolg dat diegenen die reeds vóór september 2007 een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding hebben bekomen, zonder dat deze in de tijd beperkt werd, van deze uitkering kunnen blijven genieten. De vergoedingsplichtige behoudt echter uiteraard nog steeds de mogelijkheid om de duurtijd van de uitkering te laten aanpassen, maar dit verzoek dient dan in het licht van de principes van de oude, oorspronkelijke regelgeving beoordeeld te worden.


Caroline Boven
Advocaat