Afsluiten van een huwelijkscontract: ja, maar...

Door het afsluiten van een huwelijkscontract kunnen echtgenoten zelf de gevolgen van hun huwelijk bepalen ten aanzien van hun vermogen, zowel tijdens het huwelijk als bij de ontbinding ervan. Een huwelijkscontract biedt aldus de mogelijkheid om af te wijken van het in de wet voorziene stelsel, waarbij de goederen van vóór het huwelijk eigen blijven, maar datgene wat tijdens het huwelijk verworven wordt in de gemeenschap terecht komt. Wanneer de vermogens later bij de ontbinding van het huwelijk dienen verdeeld te worden, zijn de bepalingen in het huwelijkscontract van toepassing.

Het feit dat echtgenoten vrijelijk bij huwelijkscontract kunnen afwijken van het wettelijk stelsel, betekent echter niet dat er geen regels bestaan waarop beroep dient te worden gedaan bij de beoordeling ervan. De toepasselijke regels verschillen uiteraard van diegene die ten aanzien van het in de wet voorziene stelsel gelden. Ook al werd er dus een huwelijkscontract afgesloten zoals partijen het wilden, de concrete gevolgen dienen steeds volgens de specifieke regels van het Burgerlijk Wetboek beoordeeld te worden.

Wanneer in het huwelijkscontract een scheiding van goederen bedongen wordt, gaat men er al te vaak van uit dat al datgene wat één van de echtgenoten tijdens het huwelijk verkrijgt als een eigen goed dient beschouwd te worden. Wanneer het huwelijk dan ontbonden zou worden, zou die echtgenoot dat eigen goed dan ook zondermeer terug kunnen nemen.

Niet alleen omwille van de bestaande wettelijke regels, maar ook omwille van de bewoordingen van het huwelijkscontract, is dit echter niet steeds zondermeer het geval. In deze bijdrage wordt een praktijkvoorbeeld gegeven waaruit zulks blijkt.


1 Scheiding van goederen met een beperkte gemeenschap


Na het afsluiten van het huwelijk kozen de echtgenoten om een huwelijkscontract af te sluiten waarbij alle goederen eigen zouden zijn, met uitzondering van een aantal specifiek omschreven zaken, zoals ondermeer de bouwgrond die partijen samen zouden aankopen of die één van beiden door schenking zou verwerven en waar later de gezinswoning op gebouwd zou worden. Deze laatste zaken zouden dus tot het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten behoren.

Verder werden in het huwelijkscontract de regels omschreven op basis waarvan de echtgenoten de eigendom konden bewijzen van de goederen die zij in hun bezit hadden en waarvan zij meenden eigenaar te zijn.

Indien er in het contract geen bewijsregels worden opgenomen, kan men hiervoor steeds terugvallen op hetgeen hieromtrent in de wet bepaald is. Het komt ieder van de echtgenoten niettemin ten goede om dergelijke regels in het huwelijkscontract op te nemen en nader te omschrijven, vooral om achteraf oeverloze discussies te vermijden. Wanneer je het eigendomsbewijs niet kan leveren, worden de goederen geacht in onverdeeldheid aan beide echtgenoten toe te behoren.

Een volgend beding dat bijna standaard in huwelijkscontracten wordt opgenomen, en zo ook bij de echtgenoten uit dit voorbeeld, bepaalde dat de echtgenoten vermoed werden van dag tot dag de rekeningen die zijn aan elkaar verschuldigd waren vereffend te hebben. Hiermee wordt bedoeld dat wanneer één van de echtgenoten tijdens het huwelijk een bepaalde persoonlijke bijdrage heeft gedaan ten aanzien van de gemeenschap of de tussen partijen bestaande onverdeeldheid, bijvoorbeeld wanneer de erfenis van één van de echtgenoten werd gebruikt om de gemeenschappelijke kinderen te onderhouden, dat dit bij de ontbinding van het huwelijk niet meer teruggevorderd kan worden.


2 Verrekening van dag tot dag


Ondanks het feit dat de bewoordingen van voormeld verrekeningsbeding niets aan de verbeelding overlaten, heeft dit beding in de praktijk toch reeds tot heel wat stof doen opwaaien. In ons praktijkvoorbeeld was dit eveneens het geval.

Tijdens het huwelijk had de man naar aanleiding van een arbeidsongeval een royale vergoeding mogen ontvangen. Omwille van het in het huwelijkscontract bedongen stelsel van scheiding van goederen kon er geen discussie over bestaan dat deze vergoeding behoorde tot het eigen vermogen van de man. Indien er geen huwelijkscontract zou afgesloten zijn, behoorde deze vergoeding aan de gemeenschap toe.

1/3 van vergoeding wegens het arbeidsongeval werd echter geïnvesteerd in de gezinswoning, waarvan men overeengekomen was dat deze gemeenschappelijk zou zijn. Wanneer er bepaald wordt dat de grond waarop de woning wordt opgetrokken gemeenschappelijk is, dan kan niet betwist worden dat ook de woning ingevolge natrekking tot de gemeenschap behoort.

Aangezien de man er steeds van uitgegaan is dat de arbeidsongevallenvergoeding hem persoonlijk toebehoorde, sprak hij de vrouw tijdens de vereffening-verdeling naar aanleiding van de ontbinding van het huwelijk dan ook aan om dat deel terug te betalen dat hij met zijn eigen gelden in de gemeenschap geïnvesteerd had.

De man vergat hierbij echter rekening te houden met hetgeen overeengekomen was met betrekking tot de verrekeningen tussen partijen tijdens het huwelijk. De vrouw kon dan ook geen enkele vergoeding meer verschuldigd zijn aan de man omwille van diens investering met eigen kapitaal tijdens het huwelijk.


3 Rechtspraak



Echtgenoten blijken bij het opnemen van een verrekeningsbeding in het huwelijkscontract de gevolgen van een dergelijk beding niet goed in te schatten. Getuige hiervan zijn de talloze voorbeelden waarbij dit beding op één of andere manier ter discussie staat. Wanneer men aanzienlijke bedragen heeft geïnvesteerd in de gemeenschap en deze bij de ontbinding van het huwelijk niet meer kan terugvorderen, blijft men vaak immers met een groot onrechtvaardigheidsgevoel achter. Niettemin worden verrekeningsbedingen nog steeds zo goed als standaard opgenomen in huwelijkscontracten.

Naar aanleiding van de vragen die hieromtrent gerezen waren, heeft het Hof van Cassatie de geldigheid van de verrekeningsbedingen onderzocht. Uiteindelijk diende het Hof tot de conclusie te komen dat dergelijke bedingen geldig zijn en derhalve kunnen worden opgenomen in een huwelijkscontract. Dit echter wel op voorwaarde dat men zou kunnen bewijzen dat er tijdens het huwelijk nog geen verrekening gebeurde voor de inbreng van de eigen gelden. Enkel wanneer de verrekening tussen de echtgenoten van dag tot dag kan worden opgevat als een weerlegbaar vermoeden, is het beding geldig en kan men zich er bij de vereffening-verdeling naar aanleiding van de ontbinding van het huwelijk op beroepen.

Hoewel het Hof van Cassatie met deze uitspraak wat meer duidelijkheid heeft trachten te scheppen over het lot van verrekeningsbedingen in huwelijkscontracten, zullen er ongetwijfeld heel wat nieuwe vragen rijzen waardoor deze bedingen op één of andere manier opnieuw ter discussie komen te staan.


Afsluitend


Bij het afsluiten van een huwelijkscontract gaan echtgenoten er al te vaak van uit dat hiermee alle gevolgen van het huwelijk ten aanzien van hun vermogen op een duidelijke manier geregeld zijn, zodanig dat hier bij de ontbinding van het huwelijk geen discussie meer over kan bestaan.

Echter, enkel wanneer echtgenoten duidelijk gevraagd wordt naar hun bedoeling bij het opstellen van het contract en hen de concrete betekenis en gevolgen van ieder van de bepalingen in het contract wordt toegelicht, kunnen eindeloze discussies tijdens de vereffening-verdeling vermeden worden.

Echtgenoten doen er dan ook goed aan om zich hier vooraf goed over te informeren. Hiervoor kan beroep gedaan worden op een advocaat die uit zijn ervaring kan putten om mogelijke problemen te signaleren en te omzeilen. Dit is de enige manier om discussies bij de ontbinding van het huwelijk zo veel mogelijk uit te sluiten.


Caroline Boven
Advocaat