Laattijdig loon uitbetalen wordt duurder

Artikel 10 van de loonbeschermingswet van 12.4.1965 bepaalde dat voor het loon van rechtswege intrest verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt.
Dit betekent dat op alle lonen en de gelijkgestelde betalingen een intrest verschuldigd is wanneer de betaling niet gebeurt op de dag waarop het loon eisbaar is.
Het arbeidsreglement kan duidelijk bepalen op welke dagen het maandelijkse loon verschuldigd is.


Opzeggingsvergoedingen die verschuldigd zijn ingeval van onmiddellijke beƫindiging van de arbeidsovereenkomst met uitbetaling van een vergoeding, zijn wettelijk verschuldigd op de dag van de be?indiging van de arbeidsovereenkomst, zodat in principe intresten lopen vanaf die dag.

Het is echter zeer uitzonderlijk dat de opzeggingsvergoeding kan uitbetaald worden op de dag van de opzegging.

Meestal moet het sociaal secretariaat immers nog de loonberekening te maken en de eindafrekening op te stellen voor het vakantiegeld en de eventuele eindejaarspremie.

Eenzelfde situatie komt voor ingeval de werkgever een aanvullende betaling dient te doen ingevolge een gerechtelijke uitspraak, aangezien immers slechts op dat ogenblik vastgesteld wordt welk (bruto-)loon nog aanvullend dient betaald te worden.

Het principe van de verschuldigdheid van intresten is nooit betwist.

De rechtspraak en rechtsleer aanvaarden unaniem dat deze intresten evenwel slechts berekend moesten worden op het aan de werknemer toekomende nettoloon.

Vaak bepaalde een gerechtelijke uitspraak dit ook uitdrukkelijk door een veroordeling van de werkgever uit te spreken in brutoloon, en te bepalen dat de intresten verschuldigd waren op het netto overeenstemmende gedeelte.

Een wet van 26 juni 2002 (wet betreffende de sluiting van de ondernemingen, B.S. 09.08.2002) heeft daarin evenwel een wijziging gebracht.

Ingevolge artikel 82 van deze wet wordt artikel 10 van de loonbeschermingswet vervangen door de volgende bepaling :

"Voor het loon is van rechtswege rente verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Die rente wordt berekend op het loon, vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht."

Aldus is ingevolge deze bepalingen intrest verschuldigd op het brutoloon.

De wijziging van artikel 82 werd evenwel niet onmiddellijk van toepassing aangezien de wet bepaalde dat een Koninklijk Besluit de inwerkingtreding ervan moest vaststellen.

In het B.S. van 12.07.2005 verscheen het K.B. van 03.07.2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26.06.2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen.

Artikel 1 van deze wet bepaalt dat de nieuwe regeling inzake intrestberekening van toepassing is vanaf 01.07.2005.

Artikel 2 van de wet bepaalt dat deze nieuwe regeling van toepassing is op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 01.07.2005.

Deze bepaling betekent dus dat op de lonen en vergoedingen waarvan het recht ten laatste op 30.06.2005 ontstaan is, intresten nog op de nettobedragen dienen berekend te worden.

Deze berekeningsregeling is ook toepasselijk wanneer de betaling zelf of de veroordeling tot betaling na gerechtelijke uitspraak gebeurt na 30.06.2005.

In principe is ook op de nog lopende gerechtsprocedures, waarin achterstallig loon of vergoeding wordt gevorderd, maar waarop het recht ontstaan is voor 01.07.2005, de intrestberekening op het nettobedrag nog toepasselijk.

Alleen voor het loon of vergoedingen die verschuldigd en opeisbaar zijn vanaf 01.07.2005 zal de intrest op de brutobedragen moeten berekend worden.

Tot dusver is er nog geen gerechtelijke uitspraak bekend die deze visie bevestigt, doch zij schijnt de enige logische te zijn op basis van de bewoordingen van artikel 2 van het K.B. van 03.07.2005.

De nieuwe regeling betekent alleszins dat de kostprijs voor betaling van achterstallig loon of achterstallige vergoedingen voor de werkgever aanzienlijk zal vermeerderen.

Werkgevers hebben er dan ook belang bij om zo spoedig als mogelijk over te gaan tot betaling.

Ingeval van discussie en betwisting is het aan te bevelen om zo spoedig als mogelijk de niet betwistbare en niet-betwiste gedeelten onmiddellijk te betalen, teneinde te vermijden een toch vrij belangrijke intrest (huidige intrestvoet 7% per jaar) verschuldigd is.


Mr. Karel CAERS
Advocaat-vennoot