Grootouders en kleinkinderen

VERGOEDING VOOR GROOTOUDERS VOOR HET VRIJWILLIG OPVOEDEN VAN HUN KLEINKINDEREN NA OVERLIJDEN VAN DE OUDERS DOOR ONGEVAL

Daar waar het vroeger niet aanvaard werd dat grootouders, die op louter vrijwillige basis de verzorging en opvoeding van hun kleinkinderen op zich namen na overlijden van de ouders van de kinderen ingevolge bvb. een verkeersongeval, recht hadden op schadevergoeding in het kader van de procedure lastens deg?ne die verantwoordelijk was voor het overlijden, is hier sedert sedert enkele jaren verandering in gekomen.


Tot voor enkele jaren werd gesteld dat er geen recht op vergoeding bestond in hoofde van de grootouders wanneer zij zich op louter vrijwillige basis ontfermden over hun kleinkinderen zonder dat zij hiertoe enige wettelijke verplichting hadden. De hulp werd als het ware gekaderd in een soort van bijstand van nature uit, een soort vrijwillige opoffering ? dewelke geen vergoeding rechtvaardigde.

Het Hof van Cassatie bracht hierin verandering en oordeelde in 2001 dat ook vrijwillige hulp aan een slachtoffer vergoedbare schade kan zijn. In de rechtspraak werd dit algemene principe reeds toegepast op de vordering van een grootmoeder die, na het omkomen van haar dochter in een verkeersongeval, de opvoeding van haar minderjarige kleinzoon ter harte nam en haar meerinspanningen hiervoor vergoed wilde zien door de aansprakelijke bestuurder.

Bij het instellen van een dergelijke vordering dient een onderscheid gemaakt te worden tussen enerzijds een vergoeding voor kosten van onderhoud en opvoeding en anderzijds een vergoeding voor meerinspanningen.

Teneinde vergoeding voor kosten van onderhoud en opvoeding te bekomen, dient, hetgeen logisch is, het bewijs geleverd te worden van een effectieve stijging van de uitgaven en kosten ingevolge het onderhoud en de opvoeding van de kinderen. Een stijging die daarenboven niet gedekt wordt door het maandelijks kindergeld.

Hiernaast kan men voortaan, zoals hoger reeds gesteld, een vergoeding vorderen "voor de meerinspanningen wegens de onverwachte en bijkomende last die men op zich moet nemen voor de opvoeding van de kleinkinderen". Overeenkomstig artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek dient alle schade integraal vergoed te worden. De meerinspanningen, die normaal niet geleverd moesten worden, kunnen nu ook beschouwd worden als materi?le schade die vergoed dient te worden. De stelling dat een prestatie die door een derde vrijwillige wordt opgenomen, geen schade zou zijn in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, werd aldus naar de prullenmand verwezen.


Katleen LEMMENS
Advocaat