Tontine vs. beding van aanwas.

Samenwonenden die een onroerend goed aankochten, deden in het verleden vaak een beroep op een tontine.

Een tontine is een clausule die tot stand wordt gebracht als een modaliteit van de koopovereenkomst. De verkoper van het goed stemt er mee in dat de kopers, ieder onder opschortende voorwaarde van overleving en onder ontbindende voorwaarde van vooroverlijden kopen, zodat de langstlevende geacht wordt steeds eigenaar te zijn geweest en de eerststervende geacht wordt nooit eigenaar te zijn geweest. In se is het dus een kanscontract waarbij er dient over gewaakt dat beide partijen evenveel kansen hebben om het goed te verwerven in verhouding tot hun inbreng en overlevingskansen.


Door het feit dat het goed geacht wordt ab initio te hebben toebehoord aan de langstlevende wordt het verbod om overeenkomsten te sluiten over niet-opengevallen erfenissen (art. 1130 B.W.) niet geschonden. Enkel indien er een grote ongelijkheid is in de kansen van de kopers om uiteindelijk eigenaar te worden loopt de operatie het gevaar als een ad nutum herroepbare schenking te worden gekwalificeerd met als gevolg vorderingen tot inkorting of inbreng.

Vandaag wordt meer en meer geopteerd voor een beding van aanwas dat dezelfde gevolgen heeft als een tontine, maar juridisch wat eenvoudiger is.

In tegenstelling tot de tontine is het beding van aanwas louter een overeenkomst tussen de deelgenoten, waarbij het aandeel van de overledene van rechtswege en zonder terugwerkende kracht, door de overblijvende deelgenoot zal worden verkregen. Een verkrijging onder opschortende voorwaarde naar de toekomst toe dus met als tegenprestatie de kans om in geval van overleven, de volle eigendom over het deel van de ander te verkrijgen. Dit kan zelfs na de aankoop van het goed overeengekomen worden.
Net zoals tontine wordt dit beding niet strijdig geacht met het verbod vervat in artikel 1130 B.W. Het feit dat de clausule in de tijd wordt beperkt en geregeld kan worden herzien doet hieraan niets af, voor zover de deelgenoten niet op eender welk tijdstip een einde kunnen maken aan het beding.

De tontine wint opnieuw aan belang wegens de toenemende fiscale en parafiscale druk. Onroerende goederen worden alsmaar zwaarder belast. Het roerend vermogen neemt aan belang toe. Deze ontwikkeling biedt voor de tontine nieuwe perspectieven.

De tontine kan in bepaalde gevallen ook interessante toepassingen opleveren tussen echtgenoten. Over het algemeen kan worden aangenomen dat de tontine slechts nuttig kan gebruikt worden door echtgenoten die gehuwd zijn onder een stelsel van scheiding van goederen.

Door de opschortende en ontbindende voorwaarden komen de goederen die het voorwerp van het tontinebeding uitmaken, niet in de nalatenschap van de eerststervende echtgenoot terecht. De erfgenamen zullen dus geen inbreng of inkorting kunnen vorderen. Ook wordt het de erfgenamen onmogelijk gemaakt om de omzetting van het vruchtgebruik te vorderen. Dat kan interessant zijn voor de tweede woning of de vakantieverblijven van het gezin die niet dezelfde bescherming genieten als de voornaamste gezinswoning. Bovendien is de bescherming die de tontine biedt aan de langstlevende echtgenoot groter dan bij een testament of schenking, aangezien de tontine slechts kan worden gewijzigd of opgeheven met wederzijds akkoord. De tontine eindigt zelfs niet met een echtscheiding.



Katleen LEMMENS
Advocaat