Aftrekbaarheid van kosten gemaakt tijdens het omgangsrecht.

Vandaag is er geen discussie meer in de rechtspraak en de rechtsleer dat de kosten van onderwijs en de buitengewone medische kosten voor de kinderen door de beide ouders tijdens of na de echtscheiding dienen ten laste te worden genomen.

Artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek is zeer ruim en stelt dat de onderhoudsverplichting betrekking heeft op het levensonderhoud, de opvoeding en een passende opleiding.
Deze verplichting kan door de ouder vervuld worden, niet enkel door betaling aan de andere partner, maar ook in natura.

Tussen de (ex-)partners geeft de terugbetaling van deze kosten wel eens aanleiding tot discussies.

De discussies gaan meestal over het feit dat de partner, bij wie de kinderen verblijven, uitgaven doet voor de kinderen zonder dat hierover overleg is gepleegd tussen de ouders op voorhand en over de kostprijs.

Soms weigert de andere partner gewoon zijn bijdrage in deze kosten te betalen.

Dit heeft dan ook meestal tot gevolg dat er (weeral) een procedure voor de bevoegde rechter dient te worden gevoerd, teneinde betaling te kunnen bekomen.

Een goede communicatie en goede afspraken op voorhand kunnen deze moeilijkheden voorkomen.

De vraag stelde zich ook of deze bijdragen, die door de partner die de kinderen niet bij zich heeft, worden gedaan, voor hem fiscaal aftrekbaar zijn.

Tot voor kort waren de rechtbanken niet geneigd om te aanvaarden dat deze kosten fiscaal aftrekbaar waren.

Hierin is een kentering gekomen ondermeer door een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen en een vonnis van de rechtbank te Leuven.

Het Hof van Beroep te Antwerpen had geoordeeld dat verplaatsingskosten, die de ouder maakte in het kader van de uitoefening van het omgangsrecht, evenals de kosten van maaltijden, versnaperingen en uitstapjes tijdens de momenten van het omgangsrecht, niet om wettelijk verplichte onderhoudsuitkeringen gaat maar eerder om niet-aftrekbare liberaliteiten of giften. Het Hof oordeelde dat deze uitgaven niet waren ingegeven door de staat van behoefte van de kinderen of door de levensstandaard van hun ouders.

De rechtbank te Leuven oordeelde recent als volgt:

1. Het moet gaan om kosten die betrekking hebben op het levensonderhoud, de opvoeding en de passende opleiding. Dit omvat ook de kosten die gemaakt worden tijdens de uitoefening van het omgangsrecht, wat ook in natura kan geschieden.
2. De kinderen mogen geen deel uitmaken van het gezin van de ouder die deze kosten fiscaal wil aftrekken.
3. De rechtbank stelde verder dat deze uitgaven met een regelmaat dienen te geschieden.


De rechtbank heeft in de bewuste uitspraak de kosten aanvaard van school, studie en verlof voor zover deze ook door de nodige bewijsstukken worden gestaafd.

De rechtbank verwerpt de kastickets van voeding e.d. omdat niet bewezen is dat deze verband houden met de kinderen.

Indien dus aan de hierboven gestelde voorwaarden wordt voldaan, kan men in de toekomst de kosten gemaakt tijdens het bezoekrecht, maar ook deze van school en studie, fiscaal in aftrek brengen.

Hopelijk mag dit een stimulans zijn voor de bijdrageplichtige ouder, zodat het aantal geschillen in de toekomst op dit vlak vermindert.


Marc GEYSKENS
Advocaat