De kaalplukwet, over beslag en verbeurdverklaring in strafzaken.

Sedert begin 2003 is de nieuwe wet tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagname en verbeurdverklaring in strafzaken, ook wel de kaalplukwet genoemd, van toepassing.

De wetgever stelt zich hier terecht tot doel met een buitgerichte aanpak de criminaliteit te kunnen bestrijden door haar te raken in het diepste van haar wezen. Het mag voor de crimineel niet meer lonend zijn misdrijven te plegen. De nieuwe wet is enkel van toepassing op misdrijven die vaak gepaard gaan met een financieel groot voordeel zoals drughandel, BTW fraude, witwassen, wapenhandel, omkoping, mensenhandel, hormonenhandel etc?.

Belangrijk is te benadrukken dat de verruimde mogelijkheden tot beslag en verbeurdverklaring eveneens op vennootschappen van toepassing zijn en dit sedert zij ook strafrechtelijke aansprakelijk zijn.

Het beslag is een bewarende maatregel om te vermijden dat de betrokkene zich ontdoet van de opbrengsten van het misdrijf tijdens het onderzoek om een latere verbeurdverklaring te vermijden.

In het kader van een strafonderzoek kan men ingevolge de nieuwe wet niet enkel beslag leggen op vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het onderzochte misdrijf voorkomen maar tevens op andere activa die geen verband vertonen met het onderzochte misdrijf. Men noemt dit het beslag bij equivalent.

Op die wijze kan men beslag leggen ten belope van het bedrag van de vermoedelijke opbrengst van het misdrijf.

De wetgever heeft een aantal belangrijke hervormingen doorgevoerd m.b.t. de verbeurdverklaring.

Voortaan hoeft er geen band meer te bestaan tussen het misdrijf en het verbeurd verklaarde vermogensvoordeel.

Verbeurdverklaring is ook mogelijk van goederen die niet voortkomen uit het misdrijf maar die tevens kunnen voorkomen uit identieke feiten waarvoor de verdachte niet is veroordeeld. Wij zijn van oordeel dat dit onderdeel van de nieuwe wet mogelijks geen lang leven beschoren zal zijn. Immers, de verbeurdverklaring is een straf. Nu men deze verbeurdverklaring kan uitbreiden tot goederen die op geen enkele wijze in verband te brengen zijn met het misdrijf gaat men de verdachte straffen voor feiten waarvoor hij nooit werd vervolgd. Dit staat haaks op het beginsel van het vermoeden van onschuld.

In Nederland bestond een gelijkaardige regelgeving waarna de Nederlandse Staat recentelijk door het Europees Hof in het ongelijk werd gesteld.

De regelgeving m.b.t. de bewijslast werd tevens gewijzigd.

Vroeger diende de vervolgende instantie het bewijs te leveren dat het goed waarop beslag werd gelegd voortkwam uit het misdrijf.

Thans maakt de wetgever gewag van een verdeling van bewijsregeling.

Het Openbaar Ministerie moet aantonen dat er ernstige en concrete aanwijzingen zijn die het aannemelijk maken dat bepaalde vermogensvoordelen een illegale oorsprong hebben.

Het is vervolgens de taak van de beslagene om de rechter te overtuigen dat de zaken waarop beslag werd gelegd niet voortspruitten uit de feiten waarvoor het wordt vervolgd of uit andere identieke feiten.

Wij menen dat deze regeling in de praktijk neerkomt op een omkering van de bewijslast. Het is immers aan de verdachte om voortaan de rechter te overtuigen dat de goederen waarop men beslag legde door hem op een rechtmatige wijze zijn verkregen. Dit is voorwaar geen eenvoudige opdracht. De beslagene zal een berekening moeten maken waarbij hij inderdaad aannemelijk moet maken dat hij de goederen waarop beslag ligt op een correcte wijze heeft verworven.

In het kader van een strafzaak kan de rechter verder beslissen een bijzonder vermogensonderzoek te laten uitvoeren. Er vindt dan na de bewezenverklaring van de feiten een afzonderlijk en nieuw proces plaats dat enkel handelt over de vaststelling van het bedrag dat vadertje Staat verbeurd mag verklaren.

Voortaan moet het Openbaar Ministerie bovendien op schriftelijke wijze vorderen wanneer zij beoogt goederen verbeurd te laten verklaren die mogelijke vermogensvoordelen zijn en dus niet verplicht moeten verbeurd verklaard worden door de rechtbank..

Deze wet is andermaal een schoolvoorbeeld van de inflatie aan wetgeving , ook in strafzaken, waarmee wij als rechtspractici begaan met het Strafrecht worden geconfronteerd.
Wij zijn zondermeer voorstander van een mogelijke krachtdadige aanpak van de georganiseerde buitgerichte criminaliteit waarbij aan de overheid de nodige instrumenten moeten worden aangereikt om dit doel te bereiken.

Dat dit instrument evenwel de poort openzet naar willekeur en grove schendingen van de meest elementaire rechten van verdediging zoals het vermoeden van onschuld is een evolutie die bijzondere waakzaamheid vergt.


Mr. Jan SWENNEN,
advocaat