De aannemer wordt niet geacht de verborgen gebreken van zijn werk te kennen.

Recent besliste de Rechtbank van Koophandel te Hasselt dat de aannemer niet wordt vermoed het verborgen gebrek te kennen dat het door hem vervaardigde werk aantast.

De feiten waren de volgende : een aannemer leverde gelakte profielen voor buitentoepassingen aan een klant. De lak schilferde na een tijd echter af. Een deskundig onderzoek leidde tot de conclusie dat de aannemer wel degelijk fouten had begaan.

De klant vroeg hierop terugbetaling van de herstelkosten van de profielen. De aannemer verwees evenwel naar zijn algemene contractsvoorwaarden waarin hij zijn tussenkomst contractueel beperkte (zgn exoneratieclausule) tot de aankoopprijs der materialen, zijnde zowat de helft van het door de klant gevraagde bedrag.

De klant stelde dat de aannemer vermoed wordt de gebreken van het werk te hebben gekend, waardoor hij zijn tussenkomst niet kon beperken via een exoneratieclausule. Men kan zich immers niet exonereren voor zijn eigen bedrog / kwade trouw.

De rechtbank ging niet in op dit argument en aanvaardde dat de aannemer -in principe- wel degelijk zijn tussenkomst contractueel kon beperken.

De discussie vindt haar oorsprong in het gegeven dat in de praktijk het onderscheid tussen verkoop en aanneming niet altijd gemakkelijk te maken is.

Bij koop-verkoop is het zo dat er inzake verborgen gebreken specifieke wettelijke bepalingen zijn, die de vordering inzake verborgen gebreken aan meestal beperkende voorwaarden onderwerpen. Zo bijvoorbeeld het voorschrift dat de vordering binnen een korte termijn dient te worden ingesteld en het feit dat men bij verborgen gebreken slechts specifieke wettelijk bepaalde vorderingen kan instellen om genoegdoening te verkrijgen.

De Rechtbank van Koophandel te Hasselt huldigt ook in die gevallen het standpunt dat de vereiste van korte termijn bij koop niet (zonder meer) van toepassing is op aannemingen (dit ingevolge rechtspraak van het Hof van Cassatie, de klant dient immers zeker deze gebreken "aanvaard " te hebben) en dat men bij aanneming als klant niet gebonden is door de specifieke vorderingen bij koop-verkoop, hetgeen in het voordeel is van de klant.

In het hier besproken geval werkt deze rechtspraak in het voordeel van de aannemer.

Immers, artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de professionele verkoper vermoed wordt de gebreken te hebben gekend en dus te kwader trouw te zijn. Hij kan zich dus niet exonereren voor verborgen gebreken. De verkoper kan zich enkel van dit vermoeden bevrijden door te bewijzen dat hij gezien de stand van de techniek en de wetenschap het gebrek niet kon kennen, hetgeen overeenkomt met overmacht.
De klant had in dit geval dit vermoeden uitgebreid naar de aanneming. Door voor te houden dat de aannemer vermoed werd het gebrek te hebben gekend, kon hij zo immers ontsnappen aan de clausule die de tussenkomst van de aannemer beperkte.

Opnieuw maakt echter de Rechtbank duidelijk het onderscheid tussen aanneming en koop.

Praktisch heeft dit tot gevolg dat in principe bevrijdingsbedingen in aannemingscontracten geldig zijn voor zover zij de tussenkomst van de aannemer niet louter beperken tot een symbolisch bedrag, en zij niet in strijd zijn met dwingend recht of de openbare orde (dit laatste is bv het geval voor de zgn zware verborgen gebreken die de 10 -jarige aansprakelijkheid van de aannemer meebrengen)

Natuurlijk kan een bevrijdingsbeding nog steeds worden aangevochten op basis van bedrog of opzet van de aannemer.

De klant moet dan dit bedrog of opzet bewijzen, wat moeilijk is.

Vanzelfsprekend heeft deze juridische scheiding tussen beide contracten ook voor gevolg dat het praktisch zeer relevant is te weten of een contract moet worden gekwalificeerd als koop of aanneming.

Het biedt geen oplossing dat partijen hun contract zelf (formeel) als een "verkoop" of een
"aanneming" betitelen: de rechter is daardoor niet gebonden en kan zelf beslissen of een contract (inhoudelijk) een koop of een aanneming is. De rechter beslist dus, doch niet alle rechtbanken passen hierbij dezelfde voorwaarden toe.

Het is mogelijk dat men het contract zelf opdeelt in een deel verkoop en een deel aanneming en op elk deel dan andere regels toepast. Bij gebreken in de materialen zelf zouden dan de regels der koop gelden en bij gebreken in de werken deze der aanneming. De rechter zal proberen dit onderscheid te vermijden.


Werner MEERS,
advocaat.