De nieuwe voordijwet.

Op 01.08.2001 is de nieuwe voogdijwet van 29.04.2001 in werking getreden. De oude regeling dewelke was vervat in de artikelen 389 tot 475 B.W. enerzijds en artikel 1232 tot 1237 Ger. W. anderzijds is sedertdien volledig vervangen door de huidige wetgeving.

Die oude wetgeving was niet meer aangepast aan de noden van deze tijd. De bepalingen waren ingewikkeld, streng en erg formalistisch, en de toepassing van de bepalingen bracht heel wat kosten met zich mee. De nieuwe wet heeft daarin verandering gebracht, zodat voortaan een effici?nt en doeltreffend voogdijbeheer mogelijk moet worden.

Het meest bijzondere aan de nieuwe wet is dat deze komaf maakt met de gedeeltelijke voogdij van de langstlevende ouder. Dus zolang één van de ouders nog in leven is, is er geen sprake van voogdij. Deze valt pas open van zodra de beide ouders overleden zijn of niet meer bij machte zijn om het ouderlijk gezag uit te oefenen. Dit zou in concreto kunnen betekenen dat de ouder die ingevolge welkdanige situatie dan ook reeds geruime tijd geen omgang meer heeft gehad met de kinderen, plots het volledig gezag over die kinderen verwerft. In sommige gevallen kan dit tot zeer pijnlijke situaties leiden, ook al omdat de nieuwe partner van de overleden ouder geen rechtstreekse rechten kan laten gelden uit deze nieuwe wet.

Het is wel zo dat voortaan de kinderen zullen worden gehoord. Zij dienen minstens 12 jaar te zijn om gehoord te worden in procedures met betrekking tot hun persoon. Zij dienen minstens 15 jaar te zijn om gehoord te worden in procedures met betrekking tot hun vermogen.

Ook de vraag vanaf wanneer de beide ouders in de "voortdurende onmogelijkheid zijn om het ouderlijk gezag uit te oefenen", kreeg in de nieuwe wet bijzondere aandacht. Desgevallend zal de Procureur des Konings er moeten voor zorgen dat het bewijs aan het dossier wordt toegevoegd.

Waar dus de gedeeltelijke voogdij van de langstlevende ouder wordt afgeschaft, wordt tegelijkertijd de uitoefening van het ouderlijk gezag aan strenge beperkingen onderworpen. Zo wordt het ouderlijk beheer aan een hele reeks machtigingsvereisten onderworpen. De lijst van deze machtigingsbehoevende handelingen is limitatief opgenomen in de nieuwe wet. Het zou ons te ver leiden om daar in het kader van huidig artikel verder op in te gaan.

De bevoegdheid van de Vrederechter in het kader van deze nieuwe voogdijwet is zeer uitgebreid. Het is voortaan niet meer aan de familieraden om de voogd te benoemen of om zijn beheer op te volgen. Velen betreuren trouwens de afschaffing van deze familieraden. Voortaan zal het de Vrederechter zijn die de voogd en desgevallend ook de toeziende voogd benoemt, die hem zal machtigen handelingen wel of niet te stellen, die zijn beheer opvolgt, tussenkomt indien er zich moeilijkheden voordoen enz.

Zelfs indien de ouders in hun testament een voogd zouden hebben benoemd wanneer hen iets zou overkomen, dan nog behoudt de Vrederechter zelf het recht om een voogd te benoemen die hij/zij wenselijk acht. U begrijpt dat dit toch een zeer verregaande maatregel is. Wij vermoeden echter dat de Vrederechters zullen rekening houden met de wensen van de ouders en dit in zoverre daarmee het belang van de kinderen is gediend.

Bovendien hecht de nieuwe wet ook duidelijk meer belang aan de functie van de toeziende voogd. Deze zal niet alleen toezicht houden op het beheer maar ook over de persoon van de minderjarige. Zo kan deze toeziende voogd ook gerechtigd zijn om in rechte op te treden namens de minderjarige, alsook om de aanstelling van een andere voogd af te dwingen, indien dit wenselijk zou zijn, enz.

Een andere nieuwigheid in de nieuwe voogdijwet, is dat de Vrederechter voortaan de voogdij kan opsplitsen door enerzijds een voogd aan te stellen over de persoon en anderzijds een voogd over de goederen van de minderjarige. De Vrederechter kan een voogd ad hoc aanstellen bij eventuele belangenconflicten.

Het zal trouwens tevens de Vrederechter zijn die bepaalt of en in welke mate de uitoefening van de functie van voogd in aanmerking komt voor vergoeding. De toepassing van deze nieuwe wet zal ongetwijfeld in de praktijk nog op moeilijkheden stoten waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden. Maar toch zijn wij ervan overtuigd dat deze wet de weg opent voor de goede relatie tussen de voogd en zijn pupil enerzijds en voor een efficiënt beheer over de goederen anderzijds.


Gerda COENEN