Verkoop onroerend goed : wat met het bodemattest?

Op 07.03.2018 organiseerden wij in onze gebouwen een avondseminarie over vastgoedrecht.

De aanleiding hiertoe was ondermeer het veel besproken arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen van 19.12.2016 waarin ondermeer werd geoordeeld dat de verkoop van een onroerend goed een plechtig contract was rekening houdende met de bepalingen van het bodemdecreet.

In ditzelfde arrest werd geoordeeld dat een onroerend goedtransactie niet per mail kon worden tot stand gebracht.

Het bodemattest diende door de verkoper aan de koper ter beschikking gesteld te worden “voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst”.

Dit had voor gevolg dat een opschortende voorwaarde omtrent het bodemattest opgenomen in een compromis niet beantwoordde aan de decretale bepaling.

Het Hof van Beroep te Antwerpen oordeelde in haar arrest van 10.10.2016 dat de overeenkomst met deze opschortende clausule nietig was.

Tegen dit arrest werd een voorziening in cassatie ingediend.

Het Hof van Cassatie vernietigt in haar arrest van 22.03.2018 het Antwerpse arrest en is van oordeel dat partijen wel een opschortende voorwaarde kunnen overeenkomen voor het afleveren van een gunstig bodemarrest.

Het Hof gaat zelfs verder en zegt dat het opvragen, het verkrijgen en meedelen van een bodemattest GEEN elementen vormen die noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van de overeenkomst.

Met dit arrest sluit het Hof van Cassatie zich aan bij de strekking in de rechtsleer dat de verkoop van een onroerend goed geen plechtig contract is en dat het toegelaten is om in een compromis omtrent het afleveren van het bodemattest een opschortende clausule op te nemen.

Arne Van der Graesen