Steeds een recht op compensatie bij annulering van de vlucht?

ondernemingsrecht
Michiel Beutels |

In een artikel van 13 juni 2017 hebben wij reeds toegelicht dat men als consument geniet van een wettelijke bescherming indien men een vlucht boekt en die wordt wegens omstandigheden geannuleerd, of wanneer men geconfronteerd wordt met een vertraging van die vlucht.

In 2004 werden de minimumrechten van de luchtreiziger bij vertraging/annulering van de vlucht en instapweigering verankerd op Europees niveau in de Verordening (EG) nr. 261/2004.

In bepaalde gevallen speelt de verplichting van de betrokken luchtvaartmaatschappij tot betaling van een compensatie.

Wat het recht op compensatie betreft is artikel 5, §3 Verordening nr. 261/2004 een essentiële bepaling. Een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert is namelijk overeenkomstig die bepaling niet verplicht compensatie te betalen indien zij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

Dergelijke omstandigheden kunnen zich met name voordoen in gevallen van politieke onstabiliteit, weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen, beveiligingsproblemen, onverwachte vliegveiligheidsproblemen en stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert (zie punt 14 considerans Verordening nr. 261/2004).

In een arrest van 22 december 2008 (C-549/07, Friederike Wallentin-Hermann / Alitalia – Linee Aeree Italiane SpA) oordeelde het Hof van Justitie reeds dat de voorbeelden vermeld in punt 14 van de considerans van Verordening nr. 261/2004 niet automatisch verschoningsgronden zijn voor de verplichting tot het betalen van een compensatie.

Overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie moeten er twee cumulatieve voorwaarden voldaan zijn opdat er sprake kan zijn van buitengewone omstandigheden:

  • enerzijds moet het gaan om gebeurtenissen die vanwege hun aard of oorsprong niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteiten van de betrokken luchtvaartmaatschappij;
  • anderzijds moet de betrokken luchtvaartmaatschappij geen daadwerkelijke invloed kunnen uitoefenen op die gebeurtenissen.

Elk concreet geval moet worden getoetst aan bovenstaande voorwaarden.

Een zeer relevante vraag die in de praktijk wordt gesteld is of een staking kan worden gekwalificeerd als een buitengewone omstandigheid, waardoor de luchtmaatschappijen niet verplicht zouden zijn om een compensatie te betalen.

Voor de beantwoording van die vraag is het arrest van het Hof van Justitie van 17 april 2018 (C-195/17 e.a., Helga Krüsemann e.a. / TUIfly GmbH) een belangrijke referentie.

Het Hof van Justitie was in die zaak immers van oordeel dat het normaal is dat luchtvaartmaatschappijen in de uitoefening van hun bedrijf kunnen worden geconfronteerd met onenigheid of zelfs conflicten met de leden van hun personeel of een deel van dat personeel en dat de risico’s die voortvloeien uit de sociale gevolgen die met dergelijke maatregelen gepaard gaan dus worden geacht inherent te zijn aan de uitoefening van het bedrijf van een luchtvaartmaatschappij.

Bovendien kon de luchtvaartmaatschappij in het concrete geval volgens het Hof van Justitie wel degelijk een daadwerkelijke invloed uitoefenen op de “wilde staking”, hetgeen wordt aangetoond door het feit dat de staking is opgehouden nadat zij een akkoord met de werknemersvertegenwoordigers had gesloten.

De kwalificatie naar nationaal recht van een staking als “wilde staking” is volgens het Hof van Justitie niet relevant.

Artikel 5, §3 Verordening nr. 261/2004 zou verschillend worden toegepast in de lidstaten indien die redenering zou worden gevolgd en de kwalificatie wel van belang zou zijn.

Uit het bovenvermelde arrest van het Hof van Justitie kan worden afgeleid dat een staking kan worden gekwalificeerd als een buitengewone omstandigheid die de luchtvaarmaatschappij vrijstelt van het betalen van een compensatie, maar dat het niet noodzakelijk het geval is en men dat steeds in concreto dient na te gaan aan de hand van de twee bovenvermelde voorwaarden.

Om de toetsing aan die twee voorwaarden te verduidelijken verwijzen wij naar de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie over dat onderwerp.

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn de volgende elementen geen buitengewone omstandigheden:

  • een technisch probleem bij een luchtvaartuig dat annulering van een vlucht tot gevolg heeft, behoudens indien dit probleem voortvloeit uit gebeurtenissen die wegens hun aard of hun oorsprong niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij, en waarop deze geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen (HvJ 22 december 2008, C-549/07, Friederike Wallentin-Hermann / Alitalia – Linee Aeree Italiane SpA);
  • een technisch probleem dat zich plotseling heeft voorgedaan, niet aan gebrekkig onderhoud is toe te schrijven en evenmin tijdens een regulier onderhoud is ontdekt (HvJ 17 december 2012, C-257/14, Corina van der Lans / Koninklijke Luchtvaart Maatschappij NV);
  • een botsing van een mobiele vliegtuigtrap van een luchthaven met een vliegtuig (HvJ 14 november 2014, C-394/14, Sandy Siewert e.a. / Condor Flugdienst GmbH).

De volgende elementen kunnen wel worden gekwalificeerd als buitengewone omstandigheden:

  • technische problemen, wanneer de fabrikant van de toestellen waaruit de vloot van de betrokken luchtvaartmaatschappij is samengesteld, of een bevoegde autoriteit, zou bekendmaken dat deze toestellen – die reeds in dienst zijn –een verborgen fabricagefout vertonen die gevolgen heeft voor de vliegveiligheid. Hetzelfde geldt voor luchtvaartuigen die werden beschadigd door sabotage of terrorisme (HvJ 22 december 2008, C-549/07, Friederike Wallentin-Hermann / Alitalia – Linee Aeree Italiane SpA);
  • omstandigheden zoals de sluiting van een deel van het Europese luchtruim ten gevolge van de uitbarsting van de Eyjafjallajökull-vulkaan (HvJ 31 januari 2013, C-12/11, Denise McDonagh / Ryanair Ltd);
  • een aanvaring tussen een luchtvaartuig en een vogel (HvJ 4 mei 2017, C-315/15, Marcela Pešková en Jiří Peška / Travel Service a.s.).

Aangezien artikel 5, §3 Verordening nr. 261/2004 moet worden beschouwd als een afwijking van het beginsel van een recht op compensatie van de passagiers bij annulering van hun vlucht, dient die bepaling in ieder geval strikt te worden uitgelegd.

Mr. Michiel Beutels