OPNIEUW WIND IN DE WIEKEN...

Administratief recht
Sarah Houben |

(re)Wind naar een artikel van collega mr. Ph. Dreesen van 02 juli 2020 getiteld “Tegenwind voor Vlaamse Windturbines” (lees hier) waarin het Arrest van het Hof van Justitie van 25 juni 2020 in de zaak  C-24/19, dat een bom heeft gelegd onder de Vlaamse milieunormen voor windturbines, werd besproken.

Het Hof oordeelde in dit arrest dat de sectorale milieuvoorwaarden opgenomen in afdeling 5.20.6 ‘Installaties voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie’ van Vlarem II enerzijds en de Omzendbrief van 12 mei 2006 betreffende een afwegingskader en randvoorwaarden voor de inplanting van windturbines anderzijds, beschouwd moeten worden als “plannen of programma’s” in de zin van de Europese Plan-MER-richtlijn, die dwingend voorschrijft dat deze moeten ontworpen aan een voorafgaande milieueffectenbeoordeling, wat niet gebeurd is.

Vanzelfsprekend ontlokte dit onmiddellijk daaropvolgend vragen als: Wat met vergunde windturbineparken geënt op deze onwettige reglementering? Dreigt de exploitatie of (in geval van vergunde, doch nog niet (volledig) gerealiseerde projecten) de bouw ervan stilgelegd te worden? enz.. 

Te meer nu het Hof van Justitie in overweging 83 van haar Arrest in herinnering bracht dat de nationale autoriteiten verplicht zijn

om de onwettige gevolgen van een (…) schending van het Unierecht ongedaan te maken”  

wat voor

een ‘plan’ of ‘programma’ dat is vastgesteld zonder rekening te houden met de verplichting een milieubeoordeling te verrichten”

 er bijvoorbeeld in kan bestaan

“dat maatregelen tot opschorting of nietigverklaring van dit plan of programma worden vastgesteld (…) en dat een reeds verleende vergunning wordt ingetrokken of opgeschort teneinde een dergelijke beoordeling alsnog te verrichten (…)”.

Begrijpelijk waren de afgelopen weken dan ook bijzonder spannend voor de betreffende sector, waar eenieder zat te wachten op een tussentijdse oplossing. De onderwerping van de sectorale normen aan een milieueffectenbeoordeling is immers geen werk van korte adem..

Deze tussenoplossing kwam er uiteindelijk verassend snel en wel door de decreetgever die regelgevend ingreep.

De Vlaamse Regering kondigde op 17 juli 2020 het Decreet tot validering van de sectorale milieuvoorwaarden voor windturbines af (BS 24.07.2020).

Met dit decreet worden twee artikelen toegevoegd aan het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM).

  • Het nieuw artikel 5.4.15 DABM valideert de door het Hof van Justitie met het Unierecht strijdig bevonden nationale regels voor een periode van drie jaar.
  • het nieuw artikel 5.4.16 DABM instrueert de Vlaamse Regering om maximaal binnen dezelfde termijn nieuwe sectorale normen vast te stellen voor windturbines en die (dit keer wel) te onderwerpen aan een milieueffectenbeoordeling.

Met andere woorden: de strijdig bevonden normen worden ‘gehandhaafd’ gedurende drie jaar, periode waarbinnen de Vlaamse Regering haar huiswerk moet maken en nieuwe normen dient uit te vaardigen, onderworpen aan een milieubeoordeling.

Gevolg is dat bestaande vergunningen (definitief) niet langer onwettig kunnen verklaard worden, wegens de onregelmatigheid die door het Hof van Justitie aan de gehandhaafde sectorale normen kleeft. Hetzelfde geldt voor nieuwe vergunningen, die dus in tussentijd rechtsgeldig kunnen afgeleverd worden op basis van de tijdelijk gehandhaafde normen.  

In de memorie van toelichting bij het decreet wordt de impact van het Arrest, de keuze voor de decretale validatie als ‘uiterste redmiddel’, alsmede de uitzonderlijke omstandigheden en dwingende motieven die die keuze zouden verantwoorden, nader toegelicht.

De decretale validatie wordt, beknopt samengevat, gerechtvaardigd omwille van het creëren van rechtszekerheid, maar tevens noodzakelijk geacht omwille van de bescherming van het milieu door het verzekeren van de verdere uitvoering van het Unierecht op andere gebieden, namelijk met betrekking tot de te behalen doelstellingen op het vlak van hernieuwbare energie en de bevoorradingszekerheid inzake elektriciteit. Door de validatie kunnen er immers ook in de tussentijdse periode (van drie jaar) nog wettig vergunningen worden afgeleverd zodat voornoemde doelstellingen niet in gevaar worden gebracht.

Tevens geniet het (tijdelijke) behoud van de strijdig bevonden normen volgens de Memorie van Toelichting de voorkeur ter vrijwaring van het leefmilieu. Het buiten toepassing laten van deze onwettige normen zou immers resulteren in een lager niveau van bescherming, omdat alsdan een rechtskader herleeft zonder normen voor onder meer geluid en slagschaduw.

Of dit alles, mede in acht genomen de gehanteerde techniek, de toets aan de grondwet zal doorstaan, zal de toekomst desgevallend uitwijzen.

Wij houden u daarvan in elk geval op de hoogte.

Mr. Sarah Houben