Onrechtmatige bedingen in consumentenovereenkomsten

Ondernemingsrecht
Veerle Janssen |

Ondernemingen die niet voor onaangename verrassingen willen staan, besteden best voldoende aandacht aan hun algemene voorwaarden.

Enerzijds moeten zij de consument voldoende informeren over bedingen die afwijken van het suppletief recht. Anderzijds moeten zij erover waken dat deze bedingen inhoudelijk niet in strijd zijn met de bedingen uit de zwarte lijst, noch een kennelijk onevenwicht tussen de rechten en plichten van partijen creëren.

We illustreren dit aan de hand van een concreet voorbeeld.

Casus :

"Er werd een offerte ondertekend voor de aanleg van een tuin tussen een zelfstandige in tuinwerker en een consument. In artikel 1 van de algemene voorwaarden van de tuinaanlegger is een bepaling opgenomen waarin wordt gesteld dat indien de consument de offerte vernietigt of de uitvoering van de aangenomen werken verhindert en/of onmogelijk maakt de consument een schadevergoeding verschuldigd is van 50 %. De offerte en de algemene voorwaarden werden door de consument voor akkoord ondertekend.

Uiteindelijk beslist de consument om toch af te zien van de uitvoering van de werken door de tuinaanlegger waarop deze een bedrag van 50 % van de afgesproken prijs factureert als schadevergoeding op basis van zijn algemene voorwaarden."

Heeft de tuinaanlegger recht op deze schadevergoeding van 50 % op basis van artikel 1 van zijn algemene voorwaarden? Zijn deze algemene voorwaarden tegenstelbaar aan de consument?

Dat dergelijk beding is opgenomen in de algemene voorwaarden neemt niet weg dat deze bepaling in overeenstemming moet zijn met de Belgische wetgeving inzake onrechtmatige bedingen.

De Europese richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende de oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten toepasselijk op iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke activiteit werd omgezet in het Belgisch recht door art. VI.82 e.v. van het Wetboek van Economisch Recht (hierna ‘WER’).

In deze casus moeten de bepalingen van het Wetboek van Economisch recht dd. 28.02.13 toegepast worden en meer specifiek artikel  VI.83 WER.

Het WER is van toepassing op overeenkomsten afgesloten tussen ondernemingen en consumenten.

Ook een natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent valt onder het begrip onderneming in de zin van de wet. Het hoeft dus niet noodzakelijk om een rechtspersoon te gaan.

Artikel 1 van de algemene voorwaarden van de tuinaanlegger is een schadebeding.

Op basis van artikel I.8, 22 ° WER is een onrechtmatig beding :

Art. I.8. 22° onrechtmatig beding: 'elk beding of elke voorwaarde in een overeenkomst tussen een onderneming en een consument die, alleen of in samenhang met een of meer andere bedingen of voorwaarden, een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen ten nadele van de consument.'

 

Artikel VI.83 somt de lijst op van verboden bedingen.

 Art. VI.83.  In de overeenkomsten gesloten tussen een onderneming en een consument zijn in elk geval onrechtmatig, de bedingen en voorwaarden of de combinaties van bedingen en voorwaarden die ertoe strekken :

Art. VI.83. 17° 'het bedrag vast te leggen van de vergoeding verschuldigd door de consument die zijn verplichtingen niet nakomt, zonder in een gelijkwaardige vergoeding te voorzien ten laste van de onderneming die in gebreke blijft;

 

Artikel VI.83.17 ° WER bepaalt dat bedingen die de schadevergoeding vastleggen die de consument moet betalen als hij zijn verplichtingen niet nakomt, verboden zijn als niet voorzien wordt in een gelijkwaardige vergoeding ten laste van de onderneming die haar verplichtingen niet nakomt. Er geldt dus de vereiste van wederkerigheid.

In casu is enkel voorzien in een schadevergoeding ten laste van de consument die zijn verplichtingen niet nakomt maar niet in een vergoeding ten laste van de zelfstandige tuinaanlegger indien deze zijn verplichtingen niet zou nakomen.

Het is vereist op basis van het WER dat er eveneens een beding is dat de consument recht geeft op een vergoeding van dezelfde orde wanneer de onderneming haar prestatie niet nakomt.

In casu is dat niet voorzien in de algemene voorwaarden van de zelfstandige tuinaanlegger zodat artikel 1 van de algemene voorwaarden nietig is.

 

Bovendien dient eveneens rekening te worden gehouden met artikel VI.83.24° WER dat bepaalt als volgt :

Art. VI.83 24° ' In geval van niet-uitvoering of vertraging in de uitvoering van de verbintenissen van de consument, schadevergoedingsbedragen vast te stellen die duidelijk niet evenredig zijn aan het nadeel dat door de onderneming kan worden geleden;'

 

Op basis van dit artikel is het duidelijk dat de schadevergoeding van 50 % die is opgenomen in de algemene voorwaarden duidelijk niet evenredig is aan het nadeel dat door de onderneming kan worden geleden.

Belangrijk is het gevolg van het WER wanneer er sprake is van een onrechtmatig beding in de zin van artikel VI.83 : onrechtmatige bedingen in het WER zijn nietig, wat betekent dat het betrokken beding buiten toepassing moet worden gelaten.

Deze nietigheid heeft tot gevolg dat de rechter niet kan overgaan tot matiging van het beding (Hof van Justitie, 14 juni 2012, TBBR 2013, 317 ev).

 

Een reductie of vermindering van het beding – zoals dat in het gemeen recht wel kan op basis van artikel 1231 BW - is dus niet mogelijk.

Bovendien kan volgens het Hof van Justitie na nietigverklaring van het beding geen toepassing meer gemaakt worden van het aanvullend recht.

Stel dus dat de onderneming in de overeenkomst een kennelijk bovenmatige schadevergoeding bedingt in geval van niet-uitvoering van de overeenkomst, zoals in casu het geval is, kan die onderneming geen enkele schadevergoeding meer krijgen , zelfs niet op basis van het gemeen recht. Volgens het Hof van Justitie kan een onderneming - wanneer een schadebeding wegens onrechtmatigheid wordt vernietigd - ter vervanging daarvan niet terugvallen op het gemene recht om schadevergoeding te verkrijgen. 

Deze rechtspraak van het Hof van Justitie is gebaseerd op de noodzaak van een afschrikwekkende werking die van de nietigheidssanctie moet uitgaan (S. Geiregat, ‘Nietigheid en meest gunstige interpretatie : De remedies bij onrechtmatige bedingen in consumentenovereenkomsten in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie, TPPR 2016, 133-139).

Ondernemingen die niet voor onaangename verrassingen willen staan, besteden dan ook best de nodige aandacht aan hun algemene voorwaarden.

Ons team staat ter beschikking om uw onderneming hiermee verder te helpen.

 

Veerle Janssen