Nieuwe prejudiciële vraag aan Grondwettelijk Hof over bijzondere aanslag geheime commissielonen

De bijzondere aanslag geheime commissielonen (art. 219 WIB92), kan sedert de wijziging door de Programmawet van 19 december 2014, niet meer toegepast worden in hoofde van de vennootschap, indien de verkrijger van de niet op fiches gerapporteerde vergoedingen of voordelen van alle aard op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen de twee jaar en zes maanden volgend op 1 januari van het betreffende aanslagjaar.

Op 13 juli 2017 heeft het Grondwettelijk Hof (arrest nr. 92/2017) reeds geoordeeld dat de regeling van de bijzondere aanslag geheime commissielonen in die zin geïnterpreteerd moet worden, dat de toepassing van deze aanslag bij de vennootschap niet verhinderd kan worden, ook al werd de verkrijger geïdentificeerd binnen de voorziene termijn, indien de belastingadministratie niet is kunnen overgaan tot de belasting van de verkrijger binnen de voorgeschreven aanslagtermijnen. Een andere interpretatie is volgens het Grondwettelijk Hof strijdig met de Grondwet. Volgens het Grondwettelijk Hof is het niet redelijk verantwoord dat de toepassing van deze nieuwe bepaling ertoe kan leiden dat noch de vennootschap, noch de genieter van het voordeel belast worden, indien er een tijdige identificatie van de genieter heeft plaatsgevonden binnen de termijn van twee jaar en zes maanden, maar de Administratie de genieter niet heeft kunnen belasten binnen de aanslagtermijnen.

De Administratie moet volgens het Grondwettelijk Hof aldus de mogelijkheid gehad hebben om de genieter te belasten, losstaand van de termijn van twee jaar en zes maanden.

Naar aanleiding van dit arrest werd de vraag gesteld wat er in het tegenovergestelde geval moet gebeuren met de aanslag geheime commissielonen, namelijk wanneer zowel de vennootschap, als de verkrijger van de voordelen, belast worden. Dit zal het geval zijn wanneer de genieter niet tijdig geïdentificeerd werd binnen de termijn van twee jaar en zes maanden, maar hij toch nog belast is door de fiscus. In dit geval speelt de ontsnappingsclausule van artikel 219, lid 7 WIB 92 niet en zal de bijzondere aanslag in hoofde van de vennootschap overeind blijven, ook al wordt de genieter tevens belast op de toegekende voordelen.

In een dossier dat werd voorgelegd aan het Hof van Beroep te Antwerpen werd de belastingplichtige geconfronteerd met dergelijke dubbele economische belasting.

De belastingplichtige heeft in deze procedure aangevoerd dat deze dubbele belasting het doel van de aanslag geheime commissielonen voorbij lijkt te gaan. De nieuwe aanslag geheime commissielonen heeft sedert de wijziging ervan in 2014 immers enkel nog een vergoedend karakter. De bijzondere aanslag dient alleen nog ter compensatie van het verlies aan inkomstenbelastingen voor de Schatkist. Dit blijkt uit de parlementaire voorbereidingen (MvT, Parl.St. Kamer 2014-2015, nr. 54-0672/001, 11).

Er is echter geen sprake meer van en louter vergoedend karakter, wanneer zowel de vennootschap, als de genieter belast worden.

Het Hof van Beroep heeft in casu dan ook vastgesteld dat hoewel er geen verlies is aan Belgische inkomstenbelastingen door de daadwerkelijke belasting in hoofde van de genieter en rekening houdende met het beoogde vergoedend karakter van de aanslag geheime commissielonen, dat de laattijdige identificatie die geleid heeft tot daadwerkelijke belasting van de genieter, niet kan worden beschouwd als een tijdige, bevrijdende identificatie, zodat op basis van art. 219 WIB 92 de aanslag geheime commissielonen, gevestigd in hoofde van de vennootschap, stand houdt.  

Dit vormt volgens het Hof van Beroep mogelijk een schending van het gelijkheidsbeginsel

Het Hof van Beroep heeft daarom in een arrest van 16 oktober 2018 besloten om hieromtrent een nieuwe prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Het Hof van Beroep wil van het Grondwettelijk Hof vernemen of het gelijkheidsbeginsel geschonden wordt door de verschillende behandeling van vennootschappen, naargelang de genieter van de voordelen tijdig werd geïdentificeerd binnen de twee jaar en zes maanden, en de Administratie de mogelijkheid heeft om de genieter te belasten, waardoor de aanslag geheime commissielonen in hoofde van de vennootschap achterwege blijft, terwijl dit niet het geval is wanneer er geen tijdige identificatie heeft plaatsgevonden, maar de Administratie de genieter daadwerkelijk binnen de aanslagtermijnen heeft belast. In voorkomend geval zal de aanslag geheime commissielonen in hoofde van de vennootschap niet achterwege blijven.

Wij kijken vol verwachting uit naar de uitspraak van het Grondwettelijk Hof!

Mr. Annemiek Lewandowski