Het lot van de onmiddellijke aanhouding in een procedure op verzet

Strafrecht
Lieze Mondelaers |

Krachtens artikel 33, §2 van de Wet op de Voorlopige Hechtenis (WVH) heeft het openbaar ministerie onder een aantal voorwaarden de mogelijkheid om na de beslissing tot veroordeling te vorderen dat de beklaagde onmiddellijk dient te worden aangehouden. De volgende voorwaarden moeten in acht worden genomen: (1) de beklaagde wordt veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van 3 jaar of tot een zwaardere straf, zonder uitstel en (2) er kan worden gevreesd dat de beklaagde zich aan de uitvoering van de straf zou pogen te onttrekken. Indien het gaat om zedenmisdrijven is men evenwel strikter: deze beklaagden dienen slechts te worden veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van één jaar of een zwaardere straf, zonder uitstel. De andere voorwaarde blijft wel onverkort gelden.

Indien aan de voorwaarden is voldaan, kan het openbaar ministerie na de uitspraak van het vonnis de onmiddellijke aanhouding van de beklaagde vorderen. Hoewel de beslissing tot onmiddellijke aanhouding één geheel vormt met de uitspraak van de straf, dient hierover wel een apart debat te worden gevoerd. Zowel de beklaagde als diens raadsman moeten worden gehoord, indien zij aanwezig zijn op de zitting.

Het is evenwel niet altijd even duidelijk of er al dan niet een titel tot vrijheidsberoving geldt in de verschillende fases van een strafprocedure. In wat volgt, wordt overlopen hoe deze regels dienen te worden geïnterpreteerd in een procedure op verzet.

In casu gaat het om de volgende situatie. Een beklaagde wordt gedurende het onderzoek op borgtocht in vrijheid gesteld. Hij is tijdens de procedure ten gronde in eerste aanleg niet aanwezig bij de berechting, noch bij de uitspraak van het vonnis. Hij wordt op verstek veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan drie jaar (of meer dan één jaar in het geval van zedenmisdrijven) en het openbaar ministerie vordert de onmiddellijke aanhouding omdat zij van mening is dat er sprake is van onttrekkingsgevaar. Wanneer de onmiddellijke aanhouding bij verstekvonnis wordt bevolen door de rechtbank, geldt er vanaf dan een titel tot vrijheidsbeneming ten aanzien van de beklaagde.

Mits aan de voorwaarden van artikel 187 Sv. – waarop in deze bijdrage niet dieper wordt ingegaan – is voldaan, kan de beklaagde tegen dit verstekvonnis in verzet gaan. Op verzet bevestigt de rechtbank het oordeel van het verstekvonnis, doch door het openbaar ministerie wordt niet opnieuw de onmiddellijke aanhouding van de beklaagde gevorderd.

Geldt er op dit ogenblik nog een titel van vrijheidsbeneming ten aanzien van de beklaagde? Nee.

Het is vaste cassatierechtspraak dat een bevel tot onmiddellijke aanhouding, dat bovenop een strafrechtelijke veroordeling wordt uitgesproken, in wezen geen afzonderlijke beslissing is. Zij vormt één geheel met de veroordelende beslissing. Dit impliceert dat, indien de veroordelende beslissing opnieuw ter beoordeling wordt voorgelegd aan de rechtbank in de procedure van verzet, hetzelfde geldt voor de vordering tot onmiddellijke aanhouding. Ook deze dient op verzet nog een keer te worden gevorderd door het openbaar ministerie.

Vanaf het toelaatbaar verklaren van het verzet gaat het eerste vonnis, en dus ook het bevel tot onmiddellijke aanhouding, teniet. Indien men wil dat de beklaagde onmiddellijk wordt aangehouden, dient er ook op verzet opnieuw een vordering door het openbaar ministerie te worden gesteld, waarover de rechtbank dan een nieuw oordeel moet vellen.

Het is geen sinecure om de regels over de onmiddellijke aanhouding in elke situatie juist toe te passen. Voor een beklaagde is het evenwel van cruciaal belang om te weten wanneer er tegen hem een titel tot vrijheidsberoving geldt en wanneer deze vervalt. Aarzel dus niet om een advocaat te raadplegen indien hier onduidelijkheden over bestaan.

Lieze Mondelaers