Grondwettelijk Hof komt de verdediging tegemoet in de beroepstermijn

Strafrecht
Lore Gyselaers |

Wanneer de correctionele rechtbank een vonnis op tegenspraak velt, is deze uitspraak nog niet definitief. Partijen hebben de mogelijkheid om hoger beroep aan te tekenen binnen een termijn van in principe 30 dagen vanaf de uitspraak. Indien de uitspraak bij verstek werd geveld, geldt een termijn van 30 dagen vanaf de betekening van het vonnis.

Wanneer het hoger beroep tegen een correctionele uitspraak uitgaat van de beklaagde, bepaalt artikel 203 § 1 Sv. vervolgens dat het openbaar ministerie over een bijkomende termijn beschikt van 10 dagen om eveneens hoger beroep aan te tekenen. Deze termijn wordt niet zondermeer toegevoegd aan de gewone termijn van 30 dagen, maar vangt aan op de dag die volgt op het hoger beroep vanwege de beklaagde (Cass. 29 november 2017, AR P.17.0761.F).

De beklaagde van zijn kant beschikt niet over dezelfde mogelijkheid in het omgekeerd geval, wanneer de procureur des Konings in dezelfde omstandigheden hoger beroep instelt tegen de strafrechtelijke beschikkingen van het vonnis. Deze laatste kan daarbij nochtans de saisine van het hof zetelend in graad van beroep beperken.

Het Hof van Cassatie zag hierin een mogelijke ongelijkheid en stelde dienaangaande een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.

Bij arrest van 6 juni 2019 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat er inderdaad sprake is van een schending van de artikelen 10 en 11 G.W. in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, meer bepaald in zoverre artikel 203 § 1 Sv. niet voorziet in eenzelfde bijkomende termijn voor de beklaagde wanneer de procureur des Konings tussen de 20e en de 30e dag van de beroepstermijn hoger beroep aantekent tegen een op tegenspraak gewezen vonnis.

Gedacht kan worden aan de overigens niet louter hypothetische situatie dat het openbaar ministerie op de laatst mogelijke dag hoger beroep instelt en dit beroep beperkt tot bv. bepaalde tenlasteleggingen of tot het debat over de straftoemeting. 

In dergelijk geval van een beperkt hoger beroep in extremis door de procureur kan de beklaagde niet of zeer moeilijk (tenzij hij gaat kamperen op de griffie) hoger beroep instellen tegen de gedeelten van het bestreden vonnis die niet worden beoogd in de beroepsakte van het parket. Het openbaar ministerie van zijn kant heeft, door de bijkomende termijn van 10 dagen, steeds de mogelijkheid om te reageren op een volledig of gedeeltelijk hoger beroep van de beklaagde dat in die omstandigheden werd ingesteld. Terecht merkt het Grondwettelijk Hof op dat die beperking nog wordt verergerd door het feit dat geen enkele wetsbepaling vereist dat de beklaagde op enige andere manier op de hoogte wordt gebracht van het hoger beroep door het openbaar ministerie dan via de dagvaarding om voor het gerecht in hoger beroep te verschijnen, die vaak slechts veel later aan de beklaagde wordt betekend. Het openbaar ministerie daarentegen wordt op de dag zelf van de neerlegging van een beroepsakte door de beklaagde hiervan in kennis gesteld door de griffie. Terecht oordeelde het Grondwettelijk Hof dan ook dat het gebrek aan enige bijkomende termijn voor de beklaagde om in dergelijk geval hoger beroep in te stellen als reactie op het (beperkt) beroep vanwege het openbaar ministerie, op onevenredige wijze het recht van verdediging van de beklaagde beperkt.

Voor wie zich, na een beperkt principaal beroep vanwege het openbaar ministerie, wil garanderen van een integraal debat in graad van beroep, is kamperen op de griffie derhalve niet meer nodig.

Lore Gyselaers