Geld uitlenen : een waar gebeurd horrorverhaal

Arne Van der Graesen |

E.B. en R.V. zijn sedert jaren goede vrienden.

E.B. zit echter in geldnood en vraagt R.V. om hem geld te lenen dat hij zo snel mogelijk zal terugbetalen.

R.V. ziet hierin geen graten en hij overhandigt E.B. maar liefst 75.000 EUR.

Blijkbaar hadden de goede vrienden geen tijd om een juridisch correcte leningsovereenkomst op te stellen.

R.V. wordt na enkele tijd ongerust omdat hij merkt dat de zaken van E.B. toch niet al te best floreren.

Hij laat E.B. de volgende schuldbekentenis tekenen op 24 oktober 2005 :

Ik ondergetekende E.B. ben verschuldigd aan R.V. ….. een totaal bedrag van 75.000 EUR, alles inbegrepen tot (?) 1-juni-2006, op het dan nog resterende verschuldigd bedrag zal een intrest worden aangerekend van 5% per jaar.

Het eventueel resterend bedrag zal vereffend worden binnen een termijn van 2 jaar.

Bij overstrijking van deze termijn is op het resterend bedrag een intrest verschuldigd van 10% per jaar.

Opgemaakt op 24 oktober 2005

(volgt de handtekening van E.B.)

R.V. is nu gerust. 

Hij heeft een geschreven schuldbekentenis uitgaande van zijn op dat ogenblik al niet meer zo goede vriend.

Op 17 november 2006 tekenen R.V. en E.B. nog een document waarin wordt overeengekomen dat R.V. bij verkoop/uitbetaling van de vennootschap van E.B., aanspraak kan maken op een aanbetaling van 25.000 EUR.

R.V. blijft op alle manieren aandringen op terugbetaling maar zijn vriend E.B. gebaart van krommenaas.

Ten einde raad en omdat er geen enkele terugbetaling van de uitgeleende gelden kan bekomen worden neemt R.V. in de loop van 2014 contact op met ons kantoor.

Onmiddellijk wordt R.V. gewezen op het feit dat de door hem voorgelegde documenten niet beantwoorden aan de voorschriften van de artikelen 1325-1326 en 1341 B.W. die moeten vervuld worden om het vereiste bewijs te kunnen leveren van de afgifte van de gelden en de terugbetalingsverbintenis ervan.

Er wordt besloten om E.B. aangetekend in gebreke te stellen om het geleende bedrag, meer de intresten, onmiddellijk terug te betalen.

E.B. reageert niet zodat R.V. verplicht is om E.B. te dagvaarden in terugbetaling van de geleende sommen, meer intresten en kosten.

Voor de rechtbank van Eerste Aanleg van Limburg betwist E.B. koudweg dat hij bedrag van 75.000 EUR ontvangen heeft en dat hij dan ook niet gehouden is tot terugbetaling.

De rechtbank wijst in haar vonnis van 30 november 2014 de vordering van R.V. af.

De rechtbank oordeelt dat het geschrift van 24 oktober 2005 inderdaad niet voldoet aan de vormvoorschriften van artikel 1326 B.W., maar dat het geschrift wel als een begin van bewijs kan aanvaard worden.

De rechtbank oordeelt vervolgens echter dat R.V. onvoldoende bijkomende elementen kan aanvoeren en aldus het bewijs niet levert dat E.B. 75.000 EUR heeft ontvangen en dat hij de verplichting had deze som met intresten terug te betalen.

Het vonnis valt als een koude steen op de maag van R.V. en hij vraagt ons hoger beroep aan te tekenen tegen dit vonnis.

Het Hof van Beroep volgt in haar arrest van 19 juni 2017 de eerste rechter niet.

Het oordeelde dat uit de tekst van de voorgelegde schulderkentenis opgemaakt op 24 oktober 2005 voldoende blijkt dat E.B. het bedrag van 75.000 EUR ontvangen heeft.

Voor het leveren van het bewijs van de terugbetalingsverbintenis van 75.000 EUR moet R.V. volgens het Hof een geschrift voorleggen waarvan de tekst beantwoordt aan de vereisten van artikel 1326 B.W. (strikte voorschriften van bewijs in burgerlijke zaken).

R.V. kan een dergelijk bewijs niet voorleggen.

Het Hof van Beroep is echter van oordeel dat de terugbetalingsverbintenis van E.B. bewezen wordt door een document dat op 17 november 2006 door beide partijen werd ondertekend en waarbij werd overeengekomen dat R.V. bij de verkoop van de vennootschap van E.B., aanspraak kan maken op een afbetaling van 25.000 EUR als schuldvereffening van een openstaand bedrag.

Het Hof van Beroep oordeelt dat dit document een begin van bewijs is door geschirften en stelt verder vast dat E.B. nooit reageerde op daaropvolgende ingebrekestellingen waarin R.V. aandrong op terugbetaling van het bedrag van 75.000 EUR.

Voor het Hof van Beroep zijn deze elementen tezamen voldoende om het bewijs te aanvaarden dat E.B. gehouden was tot terugbetaling van het bedrag.

E.B. is echter hardleers.

Hij geeft geen gevolg aan de veroordeling tot terugbetaling maar gebruikt nu zijn geld om cassatieberoep aan te tekenen in de hoop dat het Hof van Cassatie de motieven van het Hof van Beroep te Antwerpen niet zal volgen en hij dus fluitend kan ontsnappen aan zijn terugbetalings-verbintenis.

Hij komt gelukkig bedrogen uit.

Op 28 september 2018 verwerpt het Hof van Cassatie het beroep van E.B. en stelt eenvoudig dat de afgifte van de geleende zaak een rechtsfeit is waarvan het bewijs met alle middelen van recht kan geleverd worden, terwijl de terugbetalingsverbintenis inderdaad voldoende bewezen is, zoals door het Hof van Beroep te Antwerpen is aangenomen.

U ziet dat geld uitlenen niet zonder gevaar is en dat het aangewezen blijft steeds schriftelijke overeenkomsten op te stellen waarin zowel de afgifte van de gelden is opgenomen alsook de terugbetalingsverbintenis van deze gelden.

Het is een kleine moeite om advies te vragen vooraleer je gelden ontleent voor een bedrag hoger dan 375 EUR.

Het nieuwe verbintenissenrecht zal deze grens optrekken naar 3.500 EUR.

Het blijft aangewezen om voor elke lening een zorgvuldig opgestelde schriftelijke overeenkomst op te stellen.

Een verwittigd man/vrouw is er zeker twee waard.

Mr. Arne Van der Graesen