GEEN EINDELOZE KANSEN MEER VOOR VERGUNNINGVERLENENDE BESTUREN OM TE REMEDIËREN NA EEN EERDERE VERNIETIGING DOOR DE RAAD VAN STATE

Sedert 2014 al werden aan de Raad van State door een wijziging van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State ruimere bevoegdheden toegekend om te komen tot een efficiënter rechtsherstel voor een rechtszoekende.

Waar vroeger bijvoorbeeld een rechtszoekende die een vernietiging bekwam ten overstaan van de Raad van State en een schadeloosstelling wenste vanwege de overheid wiens beslissing de Raad vernietigd had, een nieuwe vordering moest inleiden ten overstaan van de burgerlijke rechter om schadevergoeding te bekomen, kan de Raad sedert 2014 zelf een schadevergoeding tot herstel toekennen (art. 11bis RvSt.-Wet).

Naast hogervermelde bevoegdheid heeft de Raad van State onder andere ook de bevoegdheid gekregen om haar arrest in de plaats te stellen van de nieuw te nemen beslissing (art. 36 RvSt.-Wet).

Die laatste bevoegdheid is beter gekend als de substitutiebevoegdheid van de Raad van State. Deze kan uitsluitend gebruikt worden wanneer de nieuw te nemen beslissingen het gevolg is van een gebonden bevoegdheid, nl. wanneer het bestuur niet anders kan dan een welbepaalde beslissing te nemen en zij dus geen enkele beslissingsmarge of appreciatiemarge heeft.

Dergelijke bevoegdheid om het eigen arrest in de plaats te stellen van de nieuw te nemen beslissing van het bestuur, is in twee recente arresten van de Raad van State met betrekking tot het vergunningencontentieux zeer relevant gebleken voor dossiers die oeverloos over en weer lijken te gaan tussen de Raad van State en de vergunningverlenende overheid in graad van administratief beroep (= carrousel).

Wanneer de Raad van State dergelijke beslissing immers vernietigt, komt het aan het vergunningverlenend bestuur toe om een nieuwe beslissing te nemen over de voorliggende aanvraag of beter het voorliggende administratieve beroep, rekening houdend met het arrest van de Raad.

Voor een rechtzoekende (omwonende) die opkomt tegen een beslissing waarbij vergunning wordt afgeleverd kan dit bijzonder frustrerend blijken, wanneer het bestuur haar eerdere beslissing na vernietiging opnieuw bevestigt op basis van dezelfde of andere motieven, terwijl het eigenlijk min of meer duidelijk is dat er geen deugdelijke motieven zijn om de beslissing om een vergunning te verlenen, te verantwoorden.

In een eerste zaak – door ons kantoor behandeld – heeft de Raad van State bij arrest van 24 september 2020 (heden nog niet gepubliceerd) na twee eerdere vernietigingen ook de derde beslissing van de vergunningverlenende overheid (de Vlaamse Regering) waarbij opnieuw een milieuvergunning aan de aanvrager werd afgeleverd, op verzoek van enkele omwonenden vernietigd en heeft zij haar arrest in de plaats gesteld. De milieuvergunning mag niet meer afgeleverd worden.

In een arrest van 08 maart 2018 in dezelfde materie deed de Raad van State hetzelfde.

Opmerkelijk is dat het in beide arresten eigenlijk niet handelt over een zuiver gebonden bevoegdheid, maar dat de beslissing vernietigd werd omwille van een gebrekkige motivering.

Dat geeft aan dat de overheid toch een zekere appreciatiemarge heeft en potentieel (in het kader van een nieuwe herbeslissing) andere deugdelijke motieven zou kunnen vinden die eenzelfde beslissing wel wettig zouden kunnen dragen.

De Raad van State motiveert de uitoefening van haar substitutiebevoegdheid in deze gevallen evenwel als volgt:

Wanneer het bestuur

zelfs na heronderzoek van de zaak ingevolge een vroeger vernietigingsarrest, in het aanvraagdossier noch daarbuiten elementen heeft kunnen vinden die een deugdelijke grondslag bieden

voor de beslissing die zij wenst te nemen haar

appreciatiebevoegdheid (..) de facto volledig [blijkt] te zijn uitgehold

zodat er derhalve redenen zijn om het vernietigingsarrest in de plaats te stellen van de beslissing van de overheid, met als gevolg dat de carrousel gestopt wordt omdat het bestuur niet langer bevoegd is zich nog uit te spreken over de zaak.

M.a.w. wanneer na herhaald onderzoek nog steeds geen deugdelijke motieven kunnen gevonden worden om een welbepaalde beslissing (bvb. vergunningverlening) te nemen, dan blijkt daaruit dat er geen dergelijke motieven bestaan om die beslissing (vergunningverlening) te nemen, zodat uitsluitend de enige andere beslissing kan genomen worden (nl. vergunningsweigering). 

In de zaak die aanleiding gaf tot het hiervoor vermelde arrest van 24 september 2020 kreeg het vergunningverlenende bestuur tot drie keer toe de kans om eventuele deugdelijke motieven die de beslissing zouden kunnen dragen naar voren te brengen.

In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van 08 maart 2018 werd zij reeds na twee beslissingen de mond gesnoerd.

Indien u meer wenst te weten, kan u gerust contact opnemen met ons kantoor.

Mr. Sarah Houben