Einde in zicht van de betwistingen met de fiscus over het vereiste bewijs om te kunnen genieten van de btw-vrijstelling voor intracommunautaire leveringen?

De Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt heeft moeten oordelen over de vervulling van de bewijslast in het kader van intracommunautaire leveringen die door de belastingplichtige werden gedaan vanuit België naar verschillende Europese lidstaten, waaronder Hongarije en Duitsland.

De belastingplichtige had in casu op deze verkopen de vrijstelling wegens intracommunautaire leveringen van Belgische btw toegepast (art. 39bis WBTW).

De belastingplichtige kan in België van deze btw-vrijstelling genieten, indien hij :

  • een levering heeft gedaan voor een afnemer die in het buitenland voor de btw geïdentificeerd is, en die verplicht is deze transactie aldaar aan te geven en de btw hierop af te dragen;
  • en indien hij bewijst dat de goederen door de afnemer of voor zijn rekening verzonden of vervoerd worden buiten België, maar binnen de Europese Unie. De belastingplichtige moet te allen tijde in het bezit zijn van de stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt.

Men moet dus als leverancier een dubbel bewijs leveren, namelijk dat de levering is geschied voor een belastingplichtige die voor de btw geïdentificeerd is in een andere lidstaat, en anderzijds dat de goederen die het voorwerp uitmaken van de intracommunautaire levering, het Belgische grondgebied hebben verlaten en aangekomen zijn op het grondgebied van een andere lidstaat.

Het is dan de bedoeling dat de btw op deze transactie voldaan wordt door de afnemer, in het land van aankomst van de goederen. Deze moet dan de btw verschuldigd op deze “intracommunautaire verwerving” opnemen in zijn btw-aangifte.

In de situatie die werd voorgelegd aan de Rechtbank, is er volgens de Belgische Administratie sprake van een internationaal opgezet fraudecircuit waarvan de belastingplichtige deel uitmaakt, en waarbij de goederen geleverd worden door de belastingplichtige aan een “missing trader”. Dit is een frauduleuze firma die zijn fiscale verplichtingen niet nakomt, en de btw verschuldigd op de intracommunautaire verwerving niet opneemt in zijn btw-aangifte. Na aankomst van de goederen bij deze missing trader, is de goederenstroom niet meer te volgen. De goederen verdwijnen met andere woorden van de radar en er wordt nergens btw afgedragen over de transactie.

In het kader van een internationale gegevensuitwisseling had de Administratie vernomen van de buitenlandse belastingdiensten dat de betreffende afnemers hun fiscale verplichtingen in het land van aankomst niet vervulden en dat sommige afnemers ook niet bereikbaar zouden zijn voor de lokale belastingdienst. De intracommunautaire verwervingen werden niet opgenomen in de btw-aangifte van de afnemers, en de btw werd dus ook niet afgedragen in de lidstaat van aankomst van de goederen.

De Administratie weigerde de belastingplichtige de btw-vrijstelling, omdat de belastingplichtige zou gehandeld hebben met een frauduleus opzet, en sprak de belastingplichtige niet enkel aan voor de btw verschuldigd op de betreffende leveringen, maar legde tevens een btw-boete op van 200%. In totaal werd er van de belastingplichtige ongeveer 1.500.000 EUR gevorderd.

De belastingplichtige betwistte het standpunt en de eis van de Administratie.

De belastingplichtige bracht in de procedure een kopie bij van de paspoorten van de afnemers en had de btw-nummers van de afnemers gecontroleerd, die geldig bleken te zijn op het moment van de leveringen. Tevens kon de belastingplichtige ondertekende bestelbonnen en facturen voorleggen. Daarnaast werden er ook ondertekende verklaringen voorgelegd van de afnemers, waarin werd bevestigd dat het vervoer door de afnemer verzorgd zou worden naar een andere EU-lidstaat. Deze ondertekende verklaringen voldeden niet volledig aan de vereisten die de Belgische Administratie vooropstelt voor een bestemmingsdocument, waarvan de Administratie sedert 2016 aanvaardt dat dit kan gelden als alternatief bewijsmiddel voor een intracommunautaire levering (btw-beslissing nr. E.T.129.460 van 01.07.2016).

Volgens de Rechtbank volstaan deze documenten als bewijs van het bestaan van de echtheid van het vervoer van de goederen, en werd tevens aangetoond dat de levering geschiedde voor een belastingplichtige die voor de btw is geïdentificeerd in een andere lidstaat.

De Rechtbank oordeelt dat fraude niet vermoed wordt, maar moet bewezen worden. De elementen die in het concrete dossier aangehaald worden door de Administratie overstijgen volgens de Rechtbank het niveau van een loutere bewering niet. Het feit dat de afnemers, die een geldig btw-nummer hadden op het ogenblik van de verkoop, later hun fiscale verplichtingen niet voldeden, kan volgens de Rechtbank niet aan de leverancier in België worden verweten. Ook het feit dat er familiale banden zouden zijn tussen de zaakvoerders van de betreffende vennootschappen, bewijst volgens de Rechtbank niet dat er fraude zou zijn in hoofde van de belastingplichtige.

Gelet op het feit dat volgens de Rechtbank de bewijslast vervuld wordt, en de belastingplichtige bijgevolg kan genieten van de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen, wordt ook de boete van 200% kwijtgescholden.

Deze zaak is slechts één van de zovelen waarin ondernemingen volgens de Administratie niet voldoen aan de op hen rustende bewijslast van het vervoer van de goederen buiten België naar een andere lidstaat, en bijgevolg niet kunnen genieten van de btw-vrijstelling.

Op dit moment kan in België het vervoer bewezen worden aan de hand van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer blijkt. Het bewijs kan worden geleverd aan de hand van de gebruikelijke handelsdocumenten, zoals contracten, bestelbons, vervoersdocumenten, alsmede betalingsbewijzen. Geen enkel stuk is volgens de Administratie op zichzelf voldoende of onmisbaar. Dit leidt tot grote discussies tussen de belastingplichtigen en de Administratie.

Teneinde het hoofd te bieden aan deze onzekerheid, zal er een nieuw artikel 45bis opgenomen worden in de Uitvoeringsverordening nr. 282/2011 van 15 maart 2011, die rechtstreeks doorwerkt in de lidstaten. Dit artikel zal bepalen dat de goederen vermoed worden naar een andere lidstaat verzonden te zijn, wanneer de leverancier de verzending van de goederen kan aantonen aan de hand van minstens twee “niet-tegenstrijdige” documenten, zoals bijvoorbeeld een vervoersdocument, een ontvangstbewijs van de goederen, een factuur van de vervoerder,… uitgereikt door twee onderling onafhankelijke partijen. Indien men slechts over één van deze documenten beschikt, kan het vervoer ook aangetoond worden indien men over enig ander document beschikt dat door een onafhankelijke partij wordt uitgereikt, zoals bijvoorbeeld een attest dat bevestigt dat de goederen zijn aangekomen, of een bewijs van ontvangst van de goederen door de beheerder van een magazijn. Indien de afnemer zelf het vervoer regelt, zal de leverancier ook moeten beschikken over een bestemmingsdocument dat door de afnemer werd ondertekend.

Tevens zal het in de toekomst een noodzakelijke voorwaarde zijn dat het btw-nummer van de klant wordt opgegeven.

De lidstaten zullen deze maatregelen moeten toepassen vanaf 1 januari 2020.

Mr. Annemiek Lewandowski