DOUANESTRAFRECHT – VERBEURDVERKLARING VAN DE TEGENWAARDE

Strafrecht
Lore Gyselaers |

De verbeurdverklaring van de tegenwaarde blijft een topic die regelmatig wordt aangekaart voor het Grondwettelijk Hof.

Wanneer in douanestrafzaken de verbeurdverklaring wordt uitgesproken van niet in beslag genomen goederen, maar deze goederen niet meer kunnen worden overhandigd, wordt de tegenwaarde ervan verbeurdverklaard. Dit betekent dat de veroordeelde die de goederen an sich niet meer kan voorbrengen vaak torenhoge geldsommen moet ophoesten. Bij veroordeling valt de verbeurdverklaring van de tegenwaarde immers als een hakbijl waardoor duizelingwekkende bedragen, die niet zelden oplopen tot in de miljoenen, mee de inzet worden van een strafrechtelijke procedure.

Volgens inmiddels gekende rechtspraak van de Hoogste Gerechtshoven in ons land wordt de veroordeling tot betaling van “de tegenwaarde” van de verbeurd verklaarde goederen bij het niet voorbrengen ervan (niet-wederoverlegging) niet beschouwd als een straf, maar als een burgerrechtelijk gevolg van de strafrechtelijke veroordeling. “Op deze manier verhullen de Hoogste Gerechtshoven met de nodige creativiteit de figuur van de betaling van de tegenwaarde, die de facto gewoon het voorwerp van een straf vervangt door een ander voorwerp en dus onmiskenbaar effectief straffen tot doel heeft, in een burgerrechtelijke bekleding”, luidt de kritiek in de rechtsleer.[1] Immers, de douanewetgeving bevat geen bepaling tot verbeurdverklaring bij equivalent, zoals deze wel bestaat in artikel 43bis Sw., en op die manier wordt het “nullum crimen sine lege”-beginsel omzeild.

Ten gevolge van deze jurisprudentiële constructie moet de strafrechter steeds de integrale terugbetaling opleggen en kan hij noch milderen, noch matigen. Daarnaast worden ook degenen die mee veroordeeld worden maar vreemd zijn aan de onmogelijkheid tot overhandiging automatisch mee hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de volledige tegenwaarde.

Recent werd over deze ambigue figuur van de verbeurdverklaring van de tegenwaarde een nieuwe prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof: levert het gebrek aan beoordelings/milderingsbevoegdheid door de rechter ten gronde een schending op van het gelijkheidsbeginsel, nu de Administratie der Douane en Accijnzen bij het aanbieden van een transactie wel de mogelijkheid heeft om te milderen en zelfs geheel of ten dele kan afzien van de verbeurdverklaring van goederen en evenmin verplicht is de betaling op te leggen van de tegenwaarde?

Wij volgen de uitkomst van deze prejudiciële vraag alvast graag verder voor u op. Wie in de huidige stand een schikking door de douanediensten voorgesteld krijgt, legt dit onderscheid in milderingsbevoegdheid best mee in de weegschaal.

Mr. Lore Gyselaers

[1] A. Claes, “Tussen Scylla en Charybdis: de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde”, (noot onder Grondw. Hof 31 januari 2019), T.Strafr. 2020, 353 ev.