De nieuwe bemiddelingswet

Familierecht
Veerle Janssen |

Op 2 juli 2018 verscheen in het Belgisch Staatsblad de ‘Wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing.’

De nieuwe wet is in werking getreden op 12 juli 2018.

De wet bevat heel wat wijzigingen die inzetten op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing zoals bemiddeling.

Het promoten en aanmoedigen van deze alternatieven zou de rechtscolleges moeten ontlasten wat op zijn beurt zou moeten bijdragen tot het wegwerken van de gerechtelijke achterstand.

De wetgever heeft het begrip bemiddeling nu voor het eerst zelf gedefinieerd.

Artikel 1723/1 Ger W bepaalt als volgt : ‘De bemiddeling is een vertrouwelijk en gestructureerd proces van vrijwillig overleg tussen conflicterende partijen met de medewerking van een onafhankelijke, neutrale en onpartijdige derde die de communicatie vergemakkelijkt en poot de partijen ertoe te brengen zelf een oplossing uit te werken.’

Het toepassingsgebied van de geschillen die in aanmerking komen voor een bemiddeling werd uitgebreid. Voortaan kan elk al dan niet grensoverschrijdend geschil van vermogensrechtelijke aard het voorwerp uitmaken van een bemiddeling. Ook niet-vermogensrechtelijke geschillen die vatbaar zijn voor dading, evenals een aantal in de wet aangeduide familiale geschillen, zijn vatbaar voor bemiddeling (nieuw artikel 1724 B.W.).

De nieuwe wet toont duidelijk de bedoeling van de wetgever om de minnelijke oplossing van geschillen aan te moedigen.

Advocaten, gerechtsdeurwaarders en magistraten krijgen de taak om voortaan partijen te informeren over de mogelijkheden van een minnelijke oplossing en om die, in de mate van het mogelijke, te bevorderen.

Verder krijgt de rechter de mogelijkheid om partijen op de inleidende zitting te ondervragen over de stappen die zij hebben ondernomen om het geschil minnelijk op te lossen.

Wat de gerechtelijke bemiddeling betreft, is er een belangrijke wijziging doordat de rechter voortaan de mogelijkheid krijgt om, ambtshalve of op verzoek van één van de partijen, een bemiddeling op te leggen (nieuw artikel 1734 § 1 Ger.W.). Alleen indien alle partijen daartegen gekant zijn, zal de rechter de bemiddeling niet kunnen verplichten.

De rechter kan partijen enkel verplichten om mee te werken aan een bemiddelingspoging, maar kan hen uiteraard niet dwingen om tot een bemiddelingsakkoord te komen.

Vertrouwelijkheid is een basiskenmerk van bemiddeling en dat blijft zo voor alle documenten die worden opgemaakt en mededelingen die worden gedaan in de loop van een bemiddelingsprocedure.

De wet bepaalt voortaan dat partijen uitdrukkelijk kunnen afwijken van de geheimhoudingsplicht binnen de grenzen die zij bepalen.

De kwaliteit van de bemiddelaars wordt gevalideerd door de bescherming van de uitoefening van het beroep en van de titel. Het actuele onderscheid tussen de 3 soorten van bemiddelaars (in familiezaken, in burgerlijke en handelszaken, en in sociale zaken) verdwijnt.

Het sluitstuk van de wet wordt gevormd door de invoering van het begrip ‘collaboratieve onderhandeling’.

Dit is een onderhandelingsvorm die komt overgewaaid uit de Verenigde Staten en die is voorbehouden aan speciaal daartoe opgeleide advocaten, zogenaamde ‘collaboratieve advocaten’.

Deze collaboratieve advocaat stapt af van zijn rol als tegenstander van de andere partij doch probeert samen met de advocaat van de tegenpartij om in alle transparantie ‘creatieve oplossingen’ te vinden en partijen tot een akkoord te brengen.

Conclusie :  De nieuwe bemiddelingswet wil bemiddeling en andere alternatieve conflictoplossing stimuleren.

Veerle Janssen