Contractweigering in B2B-relaties

Het VBO heeft zich meermaals en terecht kritisch uitgelaten over de wet van 09.04.2019.

In een artikel van Anneleen Dammekes van 03.12.2019 (bron : Jubel) vestigt deze auteur terecht de aandacht op het gegeven dat deze wet een revolutie ontketent in het contractenrecht door op een zeer ingrijpende manier in te breken in de contractvrijheid tussen ondernemingen.

De auteur is van mening dat de nieuwe wetgeving hoofdzakelijk gevolgen heeft waardoor de vrijheid om de inhoud,  de werking en de vorm van de overeenkomsten te bepalen wordt beperkt.

Hetzelfde kan gezegd worden omtrent het begrip “contractvrijheid” m.n. de vrijheid om al dan niet te contracteren.

De fundamentele vrijheid om niet te contracteren wordt in belangrijke rechtsleer niet als een onbegrensde vrijheid beschouwd omdat hierbij ook rekening moet gehouden worden met de fundamentele rechten en vrijheden van anderen. Gevolg van de afweging is dat een contractweigering in sommige specifieke gevallen door de rechtspraak als misbruik van recht kan gekwalificeerd worden.

 

In een arrest van het Hof van Cassatie van 07.10.2011 omtrent een contractweigering wordt klaar en duidelijk geoordeeld :

“De weigering om te contracteren KAN een rechtsmisbruik opleveren wanneer het aanwenden van de vrijheid om niet te contracteren wordt gebruikt op een wijze die kennelijk de grenzen overschrijdt van de normale uitoefening van die vrijheid door een bedachtzaam en redelijk persoon.”

De vrijheid om niet te contracteren kan dus abusief zijn.

In het bestaande recht vóór 09.04.2019 bestond reeds een verbod op restrictieve mededingingspraktijken waarbij een contractweigering kon beschouwd worden als een misbruik van machtspositie en waarbij een belangrijke rol of een toezicht, controle en sanctionering werd toebedeeld aan de Belgische mededingingsautoriteit (Boek IV WER).

Een nieuwe beperking van de contractvrijheid en de sanctionering van een contractweigering in een B2B-verhouding is terug te vinden in de nieuwe wet van 04.04.2019 dewelke een misbruik van een positie van economische afhankelijkheid verbiedt (art. IV.32 WER).

Een contractweigering (een misbruikindicatie volgens de nieuwe wet) kan als een misbruik gekwalificeerd worden als de dominerende onderneming alleen bereid is een transactie aan te gaan voor de prestaties of een voorwaarde die in normale omstandigheden van de markt niet kunnen worden verkregen. De nieuwe wet bepaalt uitdrukkelijk in art. IV.2/1, 2° lid, 1° als misbruik : “het weigeren van een verkoop, aankoop of van andere transactievoorwaarden”.

Een contractweigering kan dus onrechtmatig zijn zowel als een oneerlijke marktpraktijk, een discriminatoire contractweigering, een misbruik van een economische machtspositie en een misbruik van economische afhankelijkheid maar ook tenslotte in het algemeen als een rechtsmisbruik.

De nieuwe bepaling veronderstelt echter dat het weigeren van een verkoop of aankoop mededingingsverstorend moet zijn op de relevante Belgische markt of een wezenlijk deel ervan.

Het is zeer de vraag of deze nieuwe wetsbepaling een nuttige toevoeging of verduidelijking uitmaakt aan het reeds bestaande wettenarsenaal om een contractweigering te sanctioneren.

In ieder geval zal vanaf 01.07.2020 een onderneming kunnen ageren tegen een dominante onderneming wanneer deze weigert een contract te sluiten en zulks een misbruik uitmaakt in hoofde van de dominante onderneming.

Zowel de lange wettelijke definitie van de positie van economische afhankelijkheid als de beoordeling van het gegeven wanneer een misbruik tevens een mededinging verstorend effect heeft op de Belgische markt of een relevant onderdeel ervan betekent dat er vandaag zeker sprake is van rechtsonzekerheid voor de ondernemingen.

 

Volgens mij was er geen nood aan een bijkomende wettelijke grondslag voor de sanctionering van een contractweigering tussen ondernemingen vermits de algemene grondslag van rechtsmisbruik voor contractweigeringen, ook tussen ondernemingen, kon volstaan.

 

A. Van der Graesen

Ere-advocaat