BEWIJS-EN VERJARINGSPROBLEMATIEK IN OUDE ZEDENZAKEN

Strafrecht
Jan Swennen |

Ons kantoor was recent in de gelegenheid om een slachtoffer (hierna SLO) van een zedenzaak bij te staan n.a.v. feiten die zich voordeden in de periode 2005-2007, lang geleden dus. Op dat moment was onze cliënte 10 jaar oud. Ze stapte naar de politie in 2018 en deed aangifte van de feiten die zich in het verre verleden hadden voorgedaan. De politie voerde een onderzoek waarbij de dader de feiten straal ontkende.

Niettemin ging de Procureur in 2019 na onderzoek toch over tot dagvaarding van de dader voor de Correctionele rechtbank. Aldus diende de rechtbank in 2019 te oordelen of de feiten zich ca 15 jaar voordien al dan niet hadden voorgedaan. In dergelijke kwesties stelt zich vaak een huizenhoog bewijsprobleem. Uitgangspunt blijft dat het openbaar ministerie de bewijslast draagt van de strafbare feiten en dat een verdachte zich kan beroepen op het zwijgrecht, dat hem niet tot nadeel mag strekken.

De rechtbank achtte deze oude feiten toch bewezen op grond van een aantal specifieke vaststellingen die uit het onderzoek bleken. Zo was de gedetailleerde verklaring van onze cliënte, inmiddels 24 jaar oud, zeer geloofwaardig. Er kon niet de minste tegenstrijdigheid in haar verklaringen worden vastgesteld. De specifieke feitelijke omstandigheden van de aangifte bij de politie speelde een rol. De getuigenis van de broer van het SLO was eveneens zeer overtuigend. De rechtbank diende vast te stellen dat de dader een wel zeer bijzondere ongezonde interesse vertoonde voor jonge meisjes hetgeen uit het onderzoek van zijn computer bleek. Zijn computer bevatte heel wat kinderpornografische beelden, waarvoor hij eveneens werd vervolgd. De overtuiging van de rechtbank werd verder versterkt door een andere, nog oudere zedenzaak, waarin de dader betrokken was maar die nooit tot vervolging had kunnen leiden gezien verjaring van de strafvordering. Die zaak tekende de persoonlijkheid van de dader haarscherp. Verder had de dader bekend bepaalde handelingen bij het SLO te hebben gesteld waarbij hij ontkende dat die handelingen seksueel getint waren. Voldoende overtuigende elementen voor de rechtbank om tot de bewezenverklaring van de feiten te besluiten.

De rechtbank veroordeelde de dader bij vonnis van 20.12.2019 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaar en stelde hem onder begeleiding, het zogenaamde probatie uitstel. Aan onze cliënte werd een schadevergoeding toegekend van ruim 5.000. euro. De dader berustte in het vonnis.

De verjaring van zedenzaken

De wetgever heeft herhaalde malen gesleuteld aan de verjaring van zedenmisdrijven. Oorspronkelijk bedroeg de verjaringstermijn, zoals bij alle andere wanbedrijven, 5 jaar. In dat geval had onze zaak niet tot vervolging kunnen leiden. Nadien is de verjaring lange tijd gevestigd gebleven op 10 jaar te rekenen vanaf de meerderjarigheid van het slachtoffer. Recent heeft de wetgever opnieuw ingegrepen.

Bij wet van 14 november 2019 ( B.S. 20.12.2019 en inwerkingtreding 30.12.2019 ), aangenomen in plenaire vergadering van de kamer, werd de verjaring van zedenmisdrijven t.a.v. minderjarigen gewoonweg afgeschaft (nieuwe art 21 bis V.T.Sv.). Een dergelijke wet die de verjaring regelt heeft onmiddellijke uitwerking en is van toepassing op lopende onderzoeken/dossiers. De zaken die evenwel verjaard waren op het ogenblik dat de nieuwe wet in voege trad, kunnen niet opnieuw tot leven komen. De thans nog niet verjaarde zedenzaken t.a.v. minderjarigen zijn dus, in de huidige stand van wetgeving, nog niet verjaard. Per casus dient nagegaan of de verjaring van de strafvordering is bereikt. Berekening van de verjaring van de stafvordering is een ingewikkelde juridische oefening waarin wij U graag bijstaan.

Los van de verjaring van de strafvoering blijft de bewijsproblematiek vaak de grootste hinderpaal om tot bewezenverklaring van oude zedenfeiten te komen voor een rechtbank.

Mr. Jan Swennen