BENT U AL OP DE HOOGTE VAN DE NIEUWE BEWIJSREGELS DIE VANAF 1 NOVEMBER 2020 VAN TOEPASSING ZIJN?

Op 1 november 2020 is ons burgerlijk bewijsrecht veranderd, dit voornamelijk met de bedoeling om de zaken te verduidelijken en beter te definiëren, in te spelen op technologische evoluties en om knelpunten aan te pakken.

Deze nieuwe, gemoderniseerde bewijsregels werden opgenomen in Boek 8 van het nieuw Burgerlijk Wetboek.

In dit artikel wordt kort ingegaan op de belangrijkste wijzigingen die deze nieuwe wet met zich meebrengt.

Voor wat de toelaatbaarheid van de bewijsmiddelen betreft, zegt de wet vooreerst zeer duidelijk dat het vrij bewijs de regel is en het gereglementeerd bewijs de uitzondering.

Het bewijs kan geleverd worden op eender welke manier. Een schriftelijke overeenkomst is in dat geval niet meer nodig. SMS’en, e-mails, WhatsApp-berichten, getuigenissen, vermoedens,… zijn een voldoende bewijs.

Voor het bewijs van rechtshandelingen met betrekking tot een som of waarde die gelijk is aan of hoger is dan 3.500,00 EUR wordt wel afgeweken van de regel van het vrij bewijs. Dit noemt men het gereglementeerd bewijsstelsel.

Het bewijsstelsel dat geldt ten aanzien van niet-ondernemers wordt versoepeld, door een ondertekend geschrift slechts te vereisen voor rechtshandelingen met een waarde vanaf 3.500,00 EUR, in plaats van het tot 31.10.2020 in artikel 1341 BW voorziene bedrag van 375,00 EUR.

Voor heel wat courante verrichtingen zal aldus geen ondertekend geschrift meer nodig zijn om het bewijs ervan te leveren, maar kan worden volstaan met meer hedendaagse middelen (e-mail, SMS, WhatsApp, …)

Inzake het bewijs door en tegen ondernemingen geldt deze drempel van 3.500,00 EUR niet aangezien daar het bewijs boven de 3.500,00 EUR vrij geleverd kan worden zonder nood aan een geschrift.

Het vrij bewijs tussen ondernemingen is nu al opgenomen in artikel 1348bis BW en zal opgenomen worden in artikel 8.11 NBW.

In artikel 8.11. wordt opgenomen dat de bewijswaarde van een aanvaarde factuur niet enkel geldt bij verkoop (zoals vroeger in wetboek van koophandel bepaald), maar voor allerhande soorten overeenkomsten. Het uitgangspunt blijkt dat een aanvaarde factuur de rechtshandeling bewijst, op voorwaarde dat zij aanvaard is door de onderneming of niet binnen redelijke termijn is betwist, maar het nieuw Burgerlijk wetboek preciseert dat dit vermoeden weerlegbaar is. Daartoe zullen evenwel ernstige bewijsmiddelen vereist zijn.

Ook tegen niet-ondernemingen kan een aanvaarde factuur ingeroepen worden als bewijs, maar daartoe moet het gaan om een uitdrukkelijke aanvaarding of een omstandig stilzwijgen, en zal de factuur enkel een feitelijk vermoeden kunnen vormen. Belangrijk is dat deze beperkte bewijswaarde van een factuur tegen een niet-onderneming van dwingend recht is. Clausules die een strengere bewijswaarde toekennen aan de factuur zijn aldus nietig.

Verder kan de rechter voortaan – bij buitengewone omstandigheden – bepalen wie de bewijslast draagt wanneer de toepassing van de normale bewijslastregels kennelijk onredelijk zou zijn. De rechter moet in dat geval zijn vonnis grondig motiveren. Bovendien kan hij de bewijslast pas omdraaien nadat hij alle nuttige onderzoeksmaatregelen heeft bevolen, gecontroleerd heeft dat de partijen meewerken aan de bewijsvoering en vaststelt dat er nog steeds geen voldoende bewijs is geleverd.

Bovenvermelde regels zijn op 1 november 2020 in werking getreden.

Mr. Charlotte Van Thienen