Begrip “deelneming aan het verkeer” onder de loep van het Hof van Justitie

Verkeersrecht
Lia Van de Weyer |

U herinnert zich wellicht nog het carnavalsdrama in Aalst waar in de nacht van 22 op 23 februari 2004 een brand ontstond in een opslagplaats. Na de carnavalsstoet, parkeerde men de tractor die de praalwagens getrokken had in de opslagplaats, waar deze – wegens een oververhitte alternator – enkele uren later vuur vatte.  De schade was enorm, zowel de loods als de omliggende bedrijfsgebouwen werden beschadigd. Na dertien jaar procederen, besliste het Hof van Beroep te Gent op 20 juni 2013 tot de veroordeling van de leden van de carnavalsvereniging tot betaling van de schade.

De WAM-verzekeraar van de tractor diende niet tussen te komen volgens het Hof omdat de verzekeringswaarborg zich enkel uitstrekte voor schade die zich voordeed “tijdens deelname aan de stoet” terwijl de brand verschillende uren na het parkeren in de loods vuur vatte.

Het Hof van Justitie heeft zich recent over een soortgelijke zaak gebogen en kwam tot een ander besluit. In haar arrest van 20 juni 2019 interpreteerde het Hof van Justitie het begrip “deelneming aan het verkeer” zeer ruim zodat de verzekerden in een gelijkaardige zaak wél bescherming genoten van de WAM-verzekeraar.

Het betrof een brand in een bedrijvencomplex in Spanje, dewelke veroorzaakt bleek door een probleem in het elektronisch circuit van een aldaar geparkeerde wagen. De wagen stond reeds 24u stil wanneer deze vuur vatte.

De rechtbank in eerste aanleg was van oordeel dat het schadegeval niet kon worden aangemerkt als vallende onder het begrip “deelneming aan het verkeer” zodat de B.A.-verzekeraar van het voertuig niet diende tussen te komen. Het Hof van Beroep (Audiencia Provincial) hervormde de beslissing van de eerste rechter en stelde dat “deelneming aan het verkeer” erg ruim diende te worden geïnterpreteerd zodat een wagen die geparkeerd staat in een garage ook onder dit begrip zou vallen.

De B.A.-verzekeraar stapte naar het Spaanse hoogste gerechtshof, de Tribunal Supremo, teneinde de rechtsgeldigheid van deze laatste beslissing te onderzoeken. De Tribunal Supremo heeft begin 2018 een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De vraag heeft betrekking op de draagwijdte van artikel 3 van de richtlijn 2009/103/EG, hetwelk stelt:

Iedere lidstaat treft, onverminderd de toepassing van artikel 5, de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.

In België werd deze richtlijn omgezet in de WAM-wet van 21 november 1989.

Het begrip “deelneming aan het verkeer” is cruciaal om de omvang van de verzekeringsdekking te bepalen.

Volgens het Hof van Justitie is de doelstelling van voormelde richtlijn de bescherming van slachtoffers van ongevallen veroorzaakt door motorrijtuigen. Verder is het Hof van mening dat het daarbij niet relevant is op welk soort terrein het voertuig wordt gebruikt, en met name is het niet relevant dat het voertuig op het moment van het schadegeval stilstaat op een parkeerterrein.

In die omstandigheden oordeelt het Hof dat het parkeren en het gedurende bepaalde perioden stilstaan van het voertuig, natuurlijke en noodzakelijke fasen zijn die integraal deel uitmaken van het gebruik ervan als vervoermiddel. Bijgevolg zal de WAM-verzekeraar ook gehouden zijn tot dekking indien er zich in deze perioden een schadegeval voordoet.

Hoewel dit arrest te laat komt voor de Aalsterse carnavalsvereniging, zullen verzekerden in de toekomst een betere bescherming genieten inzake de risico’s bij deelname aan het verkeer.

(HvJ (2e k.) nr. C-100/18, 20 juni 2019)

Mr. Lia Van de Weyer