Arrest Hamer stelt paal en perk aan laattijdige herstelvorderingen n.a.v. stedenbouwmisdrijven

Op 27.11.2007 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat het recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn ook geldt t.a.v herstelmaatregelen die gevorderd worden n.a.v. bouwmisdrijven. Het Hof oordeelde dat een periode van vijf jaar tussen het vaststellen van het illegale karakter van het gebouw en de inleiding van de herstelvordering bij de rechter onverenigbaar is met de vereiste van de redelijke termijn. Krachtens artikel 149 e.v. van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening van 18.05.1999 heeft het College van Burgemeester en Schepenen en de Stedenbouwkundig Inspecteur de mogelijkheid om van de dader van een stedenbouwmisdrijf het herstel in de oorspronkelijke staat, de uitvoering van aanpassingswerken of de betaling van een meerwaarde, te vorderen. Deze drie opties zijn juridisch gekend onder de term “herstelvordering” en “herstelmaatregel”. De praktijk wijst uit dat er tussen het ogenblik waarop het bouwmisdrijf wordt begaan en het ogenblik waarop de bevoegde overheden overgaan tot het instellen van de herstelvordering bij de rechtbank, vaak vele jaren voorbijgaan. Dit tijdsverloop had evenwel zelden tot gevolg dat de overheid van haar recht om het herstel te vorderen zou zijn vervallen. De overheid kon zich immers beroepen op het feit dat het niet vrijwillig afbreken van een constructie die zonder vergunning werd opgericht, het zgn. instandhoudingsmisdrijf, juridisch niet kan verjaren. De strafbaarheid van een instandhouden in niet-ruimtelijk kwetsbaar gebied (bv. woongebied en agrarisch gebied) is in 2003 al opgeheven. Instandhouden in ruimtelijk kwetsbaar gebied (bv. natuurgebied) blijft echter wel strafbaar. In een recent arrest van 27.11.2007 heeft Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) de praktijk waarbij er verschillende jaren verstrijken tussen het bouwmisdrijf en de uitspraak van de rechter over de herstelvordering echter getoetst aan een andere rechtsregel dan aan de verjaringsregels, m.n. aan art. 6 van het het verdrag van 04.11.1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Art. 6.1. EVRM bepaalt dat eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Uit de rechtspraak van het EHRM, daarin gevolgd door de Belgische rechtbanken, bleek reeds meermaals dat er sprake van een schending van de redelijke termijn kan zijn, ook al is de verjaring nog niet ingetreden. In dat geval wordt de herstelmaatregel die de vervolgende overheid wil opleggen, verworpen. Het was bijgevolg interessant om te vernemen welk standpunt het EHRM zou innemen m.b.t. een weliswaar niet-verjaarde, maar toch “laattijdige”, herstelvordering. In het arrest van 27.11.2007 heeft het EHRM ten eerste geoordeeld dat een herstelvordering, zelfs indien zij slechts als een burgerlijke verplichting in de zin van art. 6.1. van het EVRM moet worden beschouwd, onderworpen is aan de vereiste van een uitspraak binnen een redelijke termijn (EHRM, nr. 21861/03, Hamer c. Belgique, 27.11.2007, overweging 57). Verder achtte het EHRM een tijdsperiode van 5 jaren tussen de vaststelling van het illegale karakter van het gebouw dat mevrouw Hamer had laten oprichten (februari 1994) en de inleiding van de herstelvordering bij de eerste rechter (mei 1999) onverenigbaar met de vereiste van de redelijke termijn (zie EHRM, nr. 21861/03, overweging 61-63). Evenzeer was het EHRM van oordeel dat de tijdsperiode van 8 jaren en 11 maanden die verstreek tussen de vaststelling van het illegale karakter (februari 1994) en de uitspraak van het Hof van Cassatie over de herstelvordering “in derde aanleg” (januari 2003), de toetsing aan de vereiste van de redelijke termijn niet doorstond (zie EHRM, nr. 21861/03, overweging 61-63). Het arrest HAMER kan een zeer grote invloed hebben op de herstelvorderingen van het College van Burgemeester en Schepenen en van de Stedenbouwkundige Inspecteur, en dit zowel op herstelvorderingen die reeds ingeleid zijn bij de rechtbank als op herstelvorderingen die nog ingeleid moeten worden. Wanneer er sedert het ogenblik waarop deze overheden kennis namen van het feit dat een constructie zonder of in strijd met de stedenbouwkundige vergunning werd opgericht, door hen onvoldoende dilligent en snel wordt opgetreden, dan riskeren zij met toepassing van art. 6 EVRM te zijn vervallen van het recht om het herstel in de oorspronkelijke staat/ de uitvoering van aanpassingswerken/ de betaling van een meerwaarde te vorderen. Het EVRM, en derhalve ook art. 6 EVRM, is immers een supranationale regelgeving die primeert op de nationale, en derhalve ook op de Vlaamse, regelgeving. Onze specialisten inzake stedenbouwrecht, meesters Wim MERTENS en Andy BEELEN, hebben het arrest HAMER inmiddels reeds een aantal keren aangevoerd in de conclusies ter verdediging van cliënten die met een “laattijdige” herstelvordering worden geconfronteerd.