Geef een zoekterm in en druk op “enter”.

Kosteloze verwarming en elektriciteit: nog steeds een “voordeel” van alle aard?

  • Fiscaal recht

Sinds 1 januari 2022 wordt het voordeel van alle aard dat bestaat uit de kosteloze verstrekking van verwarming en elektriciteit enkel nog op forfaitaire basis belast als diegene die het voordeel verleent, tevens ook het onroerend goed zelf ter beschikking stelt. Een nieuwe voorwaarde dus, die toch wel wat vragen oproept.

 

  1. Forfaitaire fun

Voordelen van alle aard zijn zogenaamde extra’s die men krijgt uit hoofde of naar aanleiding van de eigen beroepswerkzaamheid. De waarde van dergelijke voordelen wordt bij de andere beroepsinkomsten gevoegd, en als dusdanig belast in de personenbelasting.

Voor voordelen die in de vorm van geld worden toegekend, bijvoorbeeld een vergoeding voor woon-werk verkeer, is de toepassing van dit principe eenvoudig. Dat is anders bij voordelen in natura, zoals de terbeschikkingstelling van een voertuig of het verstrekken van goedkope leningen. Het algemeen principe is hier dat dergelijke voordelen worden belast aan hun werkelijke waarde. Het belastbaar bedrag zou dus moeten overeenstemmen met de kost die men normaal zelf had moeten maken om het voordeel te verkrijgen.

Indien het voordeel bestaat uit de kosteloze verstrekking van verwarming en elektriciteit, wordt het voordeel echter forfaitair geraamd en belast. Dit forfaitair bedrag, dat jaarlijks wordt geïndexeerd, verschilt naar gelang men leidinggevend personeel/bedrijfsleider is, dan wel tot een andere personeelscategorie behoort. Voor aanslagjaar 2022 gaat het om volgende bedragen:

Verwarming Elektriciteit
Leidinggevende/bedrijfsleider 2080 EUR/jaar 1030 EUR/jaar
Andere verkrijgers 930 EUR/jaar 470 EUR/jaar

 

Als men zelf een bepaalde bijdrage betaalt voor dit voordeel, mag het forfaitaire bedrag verminderd worden met deze eigen bijdrage van de genieter van het voordeel.

 

  1. Back to reality

Op 27 december 2021 verscheen in het Belgisch Staatsblad het KB van 19 december 2021 tot wijziging van artikel 18, § 3, van het KB/WIB 92 op het stuk van de forfaitaire raming van de voordelen van alle aard voor de kosteloze verstrekking van verwarming en van elektriciteit. Met dit KB wordt hogerstaande forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard inzake verwarming en elektriciteit beperkt tot die gevallen waarbij de verstrekker van het voordeel ook diegene is die het onroerend goed zelf ter beschikking stelt.

Dat betekent dat de forfaitaire waardering niet meer kan worden toegepast,

  • als het onroerend goed in kwestie door iemand anders wordt ter beschikking gesteld dan de werkgever of vennootschap die het voordeel van de verwarming en elektriciteit verstrekt

 

  • als er enkel een voordeel van verwarming of elektriciteit wordt verstrekt, zonder dat er tegelijk een onroerend goed ter beschikking wordt gesteld, bijvoorbeeld omdat dit reeds eigendom is van de genieter van het voordeel

In dergelijke gevallen moet men dus terugvallen op de algemene regel voor voordelen in natura: waardering aan de werkelijke waarde bij de verkrijger. Dat zal doorgaans duurder uitvallen dan de relatief lage forfaitaire bedragen.

 

  1. En wat nu?

De nieuwe regeling is in feite niets meer dan een reactie op de zogenaamde ‘cafetariaplannen’. Het gaat om systemen waarbij werknemers of bedrijfsleiders voor een bepaald budget kunnen intekenen op de levering van verwarming en elektriciteit. De leverancier hiervan rekent dan het opgenomen budget aan bij de werkgever, en zal enkel het eventuele saldo bij de werknemers of bedrijfsleiders halen. De Rulingcommissie zag er geen graten in om de forfaitaire waardering ook in dergelijk geval toe te laten, maar de politiek zag dat toch wel even anders. Cafetariaplannen zijn niet verboden, maar het spreekt voor zich dat er weinige aan de nieuwe voorwaarde zullen voldoen.

Mission accomplished, zo lijkt het.

Het is echter afwachten hoe de rechtbanken hierop zullen reageren. Het KB voert immers een onderscheid in tussen diegenen die verwarming en elektriciteit genieten én van dezelfde persoon een onroerend goed ter beschikking krijgen enerzijds, en diegenen die enkel verwarming en elektriciteit genieten, zonder dergelijk onroerend goed, anderzijds. Het is maar zeer de vraag of dit onderscheid verantwoord is.

De motivering van het KB is in elk geval bijzonder mager. Men verwijst immers louter naar de “nakende” hervorming van de personenbelasting, waarbij moet worden gestreefd naar een “vereenvoudiging met onder meer een geleidelijke verschuiving van alternatieve verloningsvormen naar verloning in euro’s.”  De forfaitaire waarderingen moet dus geleidelijk aan worden weggewerkt, om over te stappen op een waardering aan werkelijke waarde. De befaamde cafetariaplannen, die eigenlijk niets meer zijn dan een vorm van loonflexibilisering, gaan volgens het KB in tegen dit voornemen van de regering. Aldus, in afwachting van de befaamde hervorming, lijkt het opportuun om de forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard voor het kosteloos verstrekken van elektriciteit en verwarming alvast te beperken tot “de gevallen waarin die waardering momenteel in de regel wordt gebruikt”, zijnde de gevallen waarin kosteloos elektriciteit en verwarming wordt verstrekt, samen met de kosteloze terbeschikkingstelling van een onroerend goed.

Dat enkel in dit laatste geval de forfaitaire waardering in de praktijk wordt gebruikt, is een bewering die nergens op steunt. Het valt ons inziens ook niet in te zien hoe het nieuw ingevoerde onderscheid kan verantwoord worden op grond van een toekomstige belastinghervorming, waarvan niemand op dit moment weet hoe die er zal uitzien.

Zal deze bijzonder karige uitleg voor het gemaakte onderscheid een toetsing door een rechtbank aan het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel kunnen doorstaan ?

Wij zijn alvast benieuwd.

 

© 2021 Gevaco advocaten – advocatenkantoor te Beringen

PrivacybeleidCookiebeleid