Diergeneeskunde, niet meer voor iedereen

  • Bestuurs- en Omgevingsrecht
  • , Onderwijsrecht

Op 16 november 2021 werd een verslag ingediend door de Commissie voor Onderwijs. Dit verslag geeft een bespreking van de visienota die de invoering van een toelatingsexamen voor de opleiding Diergeneeskunde voor het schooljaar 2023-2024 op tafel legde. Voorlopig is hetgeen in het verslag staat de toekomst voor de opleiding diergeneeskunde. Enkele aspecten werden vastgelegd zoals een numerus fixus met een bepaald startquotum. Was er niet zoiets als een recht op (hoger) onderwijs?

De vraag naar een toelatingsexamen

De Vlaamse regering heeft besloten om vanaf het schooljaar 2023-2024 een toelatingsexamen in te voeren voor de bacheloropleiding diergeneeskunde. Dit naar analogie met het toelatingsexamen voor geneeskunde en tandheelkunde. De vraag naar een toelatingsexamen hing al langer in de lucht. Dit zou volgen uit de sterke toename van het aantal startende studenten sinds de jaren ’70. Reeds in 2017 werd een resolutie aangenomen door het Vlaams parlement over de in- door- en uitstroom van studenten diergeneeskunde. De cijfers spraken voor zich. Hieruit volgde een versnelde invoering van een verplichte niet-bindende proef. De regering is nu van oordeel dat deze niet-bindende proef nog niet de gewenste resultaten heeft verwezenlijkt. Daarom de intentie voor een toelatingsexamen.

Numerus fixus als voorkeur

Één van de meest ophefwekkende elementen van de toelatingsproef, is de voorkeur voor een numerus fixus. Dit wil zeggen dat een vast aantal gunstig gerangschikte studenten mag beginnen aan de opleiding, terwijl een numerus clausus voorziet dat het voldoende is een bepaald resultaat op het examen te behalen. Deze voorkeur volgt uit een advies van de capaciteitscommissie. Dit betekent een sterke impact op de toelatingskansen.

Recht op onderwijs?

Dit allemaal tezamen komt akelig dichtbij de passieve onderwijsvrijheid en specifiek het recht op toegang tot hoger onderwijs zoals gewaarborgd in artikel 24 van onze Grondwet, artikel 13, 2e lid, c) IVESCR en artikel 2 Eerste Protocol EVRM. Studenten genieten de passieve onderwijsvrijheid waarbij zij in beginsel vrij zijn een opleiding aan te vangen.

Reeds bij de invoering van een toelatingsexamen voor de opleidingen geneeskunde en tandheelkunde, bleek dat een inperking van het recht op toegang tot het hoger onderwijs niet zomaar geïntroduceerd kon worden. Zo werd de overheid in 1997 al eens teruggefloten wegens niet voorzien van een overgangsregeling voor de afstuderende humaniora studenten.

Inperkingen op deze vrijheid zijn mogelijk, doch zijn aan voorwaarden verbonden. Naast de legaliteitstoets dat een wettelijke grondslag vereist en het vereiste dat de inperking voorzienbaar moet zijn, zal het vooral afhangen van de proportionaliteitstoets. Dit wil zeggen dat de inperking op het recht op onderwijs voorzien moet zijn van een geoorloofd doel, de genomen maatregel pertinent moet zijn voor dat doel en dat tenslotte de maatregelen evenredig moeten zijn. Het is juist die laatste vereiste waar het schoentje kan knellen, omdat hier een concrete afweging wordt gemaakt over de redelijkheid van de maatregelen. Daarnaast moet het ­standstill-beginsel geëerbiedigd worden. Dit volgt uit art. 13 IVESCR, wat betekent dat in principe het beschermingsniveau van de toegang tot hoger onderwijs niet verlaagd mag worden, tenzij om redenen van algemeen belang.

Het doel van de invoering van een toelatingsexamen voor diergeneeskunde is te vinden in de kwaliteitsbewaking van de opleiding, middels een instroombeperking. Dit was ook het aanvaarde doel bij de beperking van toegang tot de opleidingen geneeskunde en tandheelkunde. Het grote verschil met de opleidingen geneeskunde en tandheelkunde bestaat er in dat er geen systeem van contingentering bestaat voor het beroep dierenarts waarbij RIZIV-nummers de beroepsbeoefening beperken, waardoor er dus geen bijkomende kost op de sociale zekerheid ontstaat door de uitoefening van het beroep zelf.

Europees recht

Het verslag geeft daarnaast ook weer in welke mate zij verhelpt aan mogelijke schending van het non-discriminatiebeginsel in art. 18 VWEU. Zij meent een mogelijks ongelijke behandeling tussen Vlaamse en niet-Vlaamse studenten te verantwoorden door te verwijzen naar de bescherming van de volksgezondheid. Dit had ook reeds de toets van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Justitie doorstaan bij de regeling van de Franstalige gemeenschap ter beperking van de toelating tot de opleiding diergeneeskunde.

CONCLUSIE

Het gaat er dus van afhangen of de genomen maatregelen in de uiteindelijke regeling omtrent het toelatingsexamen voldoende gemotiveerd worden om een inbreuk op het recht op onderwijs middels een numerus fixus te verantwoorden.

Bij GEVACO advocaten staat er een team paraat dat uw belangen verdedigt bij de betwisting van examenresultaten en examenfraude. Veel succes gedurende de examenperiode!

 

© 2021 Gevaco advocaten – advocatenkantoor te Beringen

Waar kunnen we u mee helpen?

Geef een zoekterm in en druk op “enter”.