Procederen tegen de overheid: uw strijd wordt dan toch niet duurder

U bent het niet eens met uw belastingaanslag, u wenst op te komen tegen de stillegging van uw bouwwerken zoals bevolen door de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur,… Dan kan u hiervoor uiteraard naar de rechter stappen.

Echter, aan dergelijke gerechtelijke procedures zijn ook kosten verbonden. Hierbij denken we niet alleen de gewone gerechtskosten maar uiteraard ook aan advocatenkosten. Wie een procedure voor de hoven en rechtbanken verliest, zal immers ook een deel van de advocatenkosten van de in het gelijk gestelde partij moeten betalen. Dit wordt de rechtsplegingsvergoeding genoemd en is een forfaitaire tegemoetkoming die (deels) de kosten en erelonen van de advocaat vergoedt. De winnende partij recupereert zo een deel van de kosten om haar rechten te laten behartigen door een advocaat. Sedert 1 januari 2008 is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding substantieel verhoogd, afhankelijk van de waarde van de vordering.

Op 25 april 2014 werd er evenwel door het parlement een wet goedgekeurd die stelde dat burgers, zelfs als de rechtbank hen in procedures tegen de overheid of andere publiekrechtelijke rechtspersonen in het gelijk stelt, zelf alle kosten zullen moeten dragen en dus geen rechtsplegingsvergoeding krijgen toegekend. Als de overheid de procedure wint, moet de burger wél betalen.

“Geen enkele vergoeding is verschuldigd ten laste van de Staat wanneer een publiekrechtelijke rechtspersoon in het algemeen belang als partij optreedt in een geding”

Het parlement verantwoordde deze nieuwe wetgeving door te stellen dat zij in gerechtelijke procedures steeds opkomt voor het algemeen belang en dus geen rekening zou moeten houden met het financiële risico van een proces.

Onder meer de Orde van de Vlaamse Balies (OVB) ging tegen deze ongelijkheid in het verweer en hoopte om middels een vernietigingsberoep bij het Grondwettelijk Hof justitie laagdrempelig te houden. Als burgers nooit hun kosten terugbetaald krijgen na een rechtszaak verhoogt immers de drempel voor de burger om tegen de overheid te procederen, terwijl voor de overheid die drempel net verlaagt.

Het Grondwettelijk Hof heeft nu recent deze stelling gevolgd en oordeelde in haar arrest van 3 maart 2016 dat er geen enkele reden is waarom de overheid geen rechtsplegingsvergoeding zou moeten betalen wanneer zij een rechtszaak verliest. De OVB haalt haar slag dus thuis!

De OVB voerde in haar argumentatie o.a. aan dat de beroepsbelangen van de advocaat in het gedrang komen door dergelijke wetgeving. Het Grondwettelijk Hof bevestigt dat argument nu:

“Er kan worden aangenomen dat de bestreden bepaling nadelige gevolgen heeft voor de uitoefening van hun beroep, met name wat betreft de verdediging in rechte van hun cliënten in geschillen tegenover publiekrechtelijke rechtspersonen die optreden in het algemeen belang. Hun cliënten kunnen immers ervan worden weerhouden zich in een dergelijk geschil door een advocaat te laten verdedigen, in zoverre zij geen aanspraak zullen kunnen maken op een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van hun advocaat indien zij in het gelijk worden gesteld.”

Door de OVB werden voorts de volgende schendingen opgeworpen:

 

  1. Schending van het gelijkheidsbeginsel doordat er een niet-verantwoord verschil in behandeling wordt ingesteld tussen (1) publiekrechtelijke rechtspersonen en privépersonen, in zoverre de eerstgenoemden worden vrijgesteld van het procesrisico indien zij optreden in het algemeen belang, (2) tussen de rechtzoekenden onderling, naargelang zij in het gelijk worden gesteld ten aanzien van een privépersoon of een publiekrechtelijke rechtspersoon, (3) tussen de procespartijen voor de Raad van State en voor de burgerlijke rechtscolleges aangezien publiekrechtelijke rechtspersonen in procedures voor de Raad van State wél kunnen worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding.
  2. Schending van het recht op toegang tot de rechter en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel doordat de algemene vrijstelling van publiekrechtelijke rechtspersonen van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding een ontradend effect heeft op burgers die tegen een dergelijke rechtspersoon willen procederen, waardoor tevens afbreuk zou worden gedaan aan het recht van verdediging, aan de wapengelijkheid, en aan het recht op juridische bijstand.
  3. Schending van het eigendomsrecht doordat de burger die ten aanzien van een publiekrechtelijke rechtspersoon in het gelijk wordt gesteld geen aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding, wat in onteigeningsgeschillen meteen tot gevolg zou hebben dat er geen sprake is van een "billijke schadeloosstelling" in de zin van artikel 16 van de Grondwet of van een "billijk evenwicht" in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
  4. Schending van het rechtszekerheidsbeginsel doordat de bestreden bepaling bij gebrek aan overgangsmaatregelen onmiddellijk van toepassing zal zijn op hangende rechtsgedingen en doordat het ruime begrip "optreden in het algemeen belang" aanleiding zou kunnen geven tot rechtsonzekerheid.

Het Grondwettelijk Hof vernietigt nu dus de kwestieuze bepaling uit de wet van 25 april 2014 wegens een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Overheden die optreden in burgerlijke zaken en verliezen, zullen aldus wel degelijk hun tegenpartij moeten vergoeden. Het risico op een financiële kater bij een procedure tegen de overheid, is dan ook weer beperkter geworden.

 

Annelore Verbeeck