Over pesters en stalkers...

Met de wet van 25 maart 2016 heeft de wetgever het misdrijf van belaging (stalking) aangepast. Er is voortaan geen voorafgaande klacht van het slachtoffer meer vereist om een strafvervolging in te stellen. Op die manier kunnen ook “pesterijen” op een ruimere manier onder de lading van het misdrijf stalking gevat worden. Een nieuw misdrijf en aparte strafbaarstelling voor pesterijen achtte de wetgever niet opportuun.

Waarom was deze aanpassing nodig?

Het misdrijf belaging (artikel 442bis Sw.) was voordien een klachtmisdrijf en bijgevolg volledig afhankelijk van de wens van het betrokken slachtoffer om strafrechtelijk op te treden. Diende het slachtoffer geen klacht in of overleed het slachtoffer voordat een klacht was ingediend, dan kon het openbaar ministerie, behoudens uitdrukkelijke uitzondering (zoals bv. bij laster en eerroof), geen strafvervolging instellen. Bovendien kon enkel degene die belaagd werd een klacht indienen.[1]

De achterliggende beweegreden van de wetgever om van belaging een klachtmisdrijf te maken was dat hij ervan uitging dat een strafvervolging niet noodzakelijk was, wanneer het gedrag van de belager door het slachtoffer niet als een ernstige verstoring van zijn rust werd ervaren. Met een arrest van 20 februari 2013 oordeelde het Hof van Cassatie evenwel dat de strafrechter de ernst van de verstoring van de rust moet afwegen en daarbij rekening moet houden met de gevolgen die, volgens een gangbare mening, dergelijk onverantwoord, irritant en herhaald gedrag kan hebben op de bevolking of het betrokken milieu.

In de realiteit deden zich helaas ook enkele gevallen voor van zelfdoding na verregaand pestgedrag waarbij er geen voorafgaande klacht was van het slachtoffer of waarbij het voor de nabestaanden pas achteraf duidelijk werd wat de reden achter de wanhoopsdaad was. Bij het overlijden van het slachtoffer eindigde evenwel ook de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging. Buiten de hypothese van een overlijden kan ook gedacht worden aan de situatie waarbij het slachtoffer door de feiten en/of de dader zodanig geïntimideerd was, dat het te bang was om klacht in te dienen. Beide gevallen hadden tot gevolg dat de dader niet of niet meer kon bestraft worden. Om hieraan tegemoet te komen, wordt met de recente wet van 25 maart 2016 de vereiste van een voorafgaande klacht van het betrokken slachtoffer geschrapt. Het monopolie van het openbaar ministerie om de vervolging in te stellen krijgt op die manier zijn volle werking.

Vanaf de inwerkingtreding van deze wet, op 15 april 2016, kunnen pesters als stalkers vervolgd worden zonder dat een voorafgaande klacht van het betrokken slachtoffer vereist is. Het parket kan ook vervolgen zonder enig initiatief van het slachtoffer of op klacht van de nabestaanden van het slachtoffer.

Pesten op de werkvloer

Deze wijziging doet geen afbreuk aan de regelgeving m.b.t. pesten op het werk. Voor de specifieke situatie van pesten op de werkvloer blijft artikel 119 van het Sociaal Strafwetboek tevens onverkort gelden. Deze bepaling stelt geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk strafbaar met een sanctie van niveau 4: gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6 000 euro of uit één van die straffen alleen, hetzij een administratieve geldboete van 300 tot 3 000 euro. Deze sanctie is zwaarder dan hetgeen voorzien is in het stalkingsmisdrijf van artikel 442bis Sw.: gevangenisstraf van 15 dagen tot twee jaar en een geldboete van 50 tot 300 euro of een van die straffen alleen.[2]

Aan het slachtoffer van pesten op de werkvloer wordt een brede waaier aan mogelijkheden geboden om het probleem aan te kaarten en aan te pakken. Intern kan het slachtoffer een beroep doen op de vertrouwenspersoon of de interne of externe preventieadviseur van de werkgever om via informele weg (bemiddeling, interventie) een oplossing te zoeken. Indien dat geen resultaat oplevert, kan een interne formele procedure worden gestart.
De werknemer kan ook een klacht neerleggen bij de inspectie van het toezicht op het welzijn op het werk (TWW), de politie of het parket of via burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter. De TWW kan tussenkomen en desgevallend een pro justitia opstellen voor de arbeidsauditeur.
Wie gepest wordt op het werk, kan overigens rechtstreeks een klacht indienen bij de arbeidsauditeur. Indien het arbeidsauditoraat beslist om de zaak te seponeren, kan het slachtoffer op burgerrechtelijk vlak een vordering instellen bij de arbeidsrechtbank om een schadevergoeding te bekomen of een gerechtelijk bevel ten opzichte van de dader opdat het pesten zou stoppen. De arbeidsrechtbank kan tevens maatregelen opleggen ten aanzien van de werkgever om een einde te maken aan de feiten of andere maatregelen met betrekking tot preventie. Indien het tot een vervolging voor de correctionele rechtbank komt, kan de dader strafrechtelijk veroordeeld worden en het slachtoffer een schadevergoeding bekomen.

Het verschil in strafbaarstelling tussen het Strafwetboek en het Sociaal Strafwetboek valt niettemin op, terwijl bezwaarlijk kan worden voorgehouden dat het ene misdrijf ernstiger is dan het andere. De ene pester is blijkbaar de andere niet …

Lore Gyselaers