KAN EEN PROCEDURE ONGESTRAFT ONEINDIG LANG DUREN?

Procederen is op zichzelf al niet te catalogeren als een aangename invulling van het ondernemingsleven.


En toch :

Als je contracten sluit is de mogelijkheid dat op een bepaald ogenblik bij de uitvoering van dit contract het totaal verkeerd gaat.

Na juridisch advies is dan soms het inleiden van een procedure bij een bevoegde rechtsinstantie de aangewezen oplossing.

Je hebt dan de uitslag (het oordeel) van je betwisting in handen gelegd van derden, te weten je advocaat en uiteindelijk de rechter.

  • Wie beïnvloedt nu eigenlijk de duurtijd van het proces?
  • Kan je een procedure ongestraft lang rekken als het je goed uitkomt?

Het zijn belangrijke vragen waarmee wij in onze praktijk als advocaat frequent worden geconfronteerd.

Het antwoord is – zoals vaak – niet altijd eenvoudig.

Eerste vraag : Kan mijn proces (geding) verjaren eens ik een procedure heb opgestart?

In een juridische bijdrage van de professoren Allemeersch en Sobrie, gepubliceerd in het Liber Amicorum van mijn kantoorgenoot en professor-emeritus Marc Boes (Die Keure 2011, blz. 637 e.v.), wordt duidelijk gesteld dat bij gebrek aan een bijzondere wetsbepaling de conclusie zich opdringt dat het geding op zichzelf onverjaarbaar is.

Tweede vraag : Betekent onverjaarbaar dan ook dat men niet moet meewerken om binnen een redelijke termijn een uitspraak te bekomen?

Bestaat er met name zoiets als een “misbruik van procesrecht” en wat zijn dan de sancties die de rechter kan uitspreken?

Alhoewel het geding als dusdanig niet aan verjaring is onderworpen blijft de inertie van de procespartijen – hierdoor begeleid door hun advocaat – niet zonder gevolgen.

Het is maatschappelijk niet meer te verantwoorden dat procedures jaren stof liggen te vergaren in de duistere kelders van onze rechtbanken zonder dat één van de procespartijen enige actie onderneemt om de rechter in staat te stellen een uitspraak te doen.

Reeds in 1980 leerde professor-emeritus Marcel Storme ons het volgende :

“Rechtsverwerking kan gebruikt worden om de eiser het recht te ontzeggen het geding voort te zetten wanneer de procedure gedurende een te lange tijd in een staat van slapende aanhangigheid heeft verkeerd.”

Eenvoudig vertaald betekent dit dat de titularis van een subjectief recht (een eiser in het proces) het recht dat hij heeft om een tegenpartij te horen veroordelen verliest wanneer hij zich heeft gedragen op een met behoud van dit recht onverenigbare wijze en hij door zijn houding (namelijk stilzitten) bij de tegenpartij een rechtmatig vertrouwen in de niet-verdere uitoefening van zijn subjectieve recht heeft gewekt.

Derde vraag : Als een procespartij de “rechtsverwerking” inroept, moet de rechter dan altijd hierop ingaan?

In ons recht is de figuur van de rechtsverwerking geen autonoom rechtsbeginsel of algemeen rechtsbeginsel, zodat dit niet per se een uitkomst biedt om een inerte procespartij te sanctioneren.

Naast het beginsel van rechtsverwerking kent ons recht echter andere beginselen die mogelijk soelaas bieden en met meer succes kunnen ingeroepen worden.

Wij kennen immers het beginsel van “procesrechtsmisbruik” als een bijzondere vorm van rechtsmisbruik.

Ons Hof van Cassatie aanvaardde reeds zijn arrest van 17 oktober 2008 expliciet dit argument om procedures die lang hebben stil gelegen en die dan plots weer worden hernomen te sanctioneren door de oorspronkelijke eis geheel of gedeeltelijk als ongegrond af te wijzen.

Onze juridische wereld evolueert gelukkig samen met het maatschappelijk denken omtrent het bestraffen van al te lange procedures.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat het verbod op procesrechtsmisbruik meer en meer ingang vindt in onze rechtspraak en dat rechters geneigd zijn om een procespartij die nalaat op diligente en normale wijze het hangende geding binnen een redelijke termijn te beëindigen, hierop af te straffen.

Vierde vraag : Pleeg je “procesrechtsmisbruik”, verlies je dan al je rechten?

Het antwoord op deze vraag is zeer genuanceerd.

In principe bezit je namelijk een subjectief recht waarvan je bij de aanvang van uw procedure de uitvoering vraagt.

Uw subjectief recht is op dat ogenblik niet verjaard, waardoor je niet automatisch je rechten verliest indien je procesmatig enigszins nalatig handelt.

Meestal zullen onze rechters bij een procesnalatig handelen in hun vonnis de nalatige procespartij die procesrechtsmisbruik pleegt sanctioneren door hun eis slechts ten dele gegrond te verklaren en bijvoorbeeld hun vorderingsonderdeel met betrekking tot de betaling van een contractuele intrest op een sedert jaren vervallen en verschuldigde factuur als ongegrond af te wijzen.

Deze sanctie door de rechter opgelegd is terecht.

De procespartij die jaren niets onderneemt om de door haar opgestarte procedure verder te zetten wekt immers bij de tegenpartij de indruk dat het proces niet wordt werdergezet en dat men eigenlijk stilzwijgend afziet van het bekomen van een veroordelend vonnis.

De rechter moet deze sanctie in zijn vonnis motiveren.

En nu…. de praktijk.

Ons kantoor behandelt de belangen van een aannemer gespecialiseerd in dichtingswerken, die in 2002 een overeenkomst sluit met een Vereniging van Mede-eigenaars van een appartementencomplex omtrent het uitvoeren van dichtingswerken aan de lekken van de ondergrondse garages en bergruimten.

Onze cliënt wordt na de uitvoering van zijn dichtingswerken op 02.08.2002 gedagvaard voor de Rechtbank van Koophandel in ontbinding van zijn overeenkomst en tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 125.000 EUR omdat de Vereniging van Mede-eigenaars van oordeel is dat de dichtingswerken niet volgens de regels der kunst zijn uitgevoerd en niet het beoogde resultaat hebben gebracht.

Op 04.09.2002 stelt de rechtbank een gerechtsdeskundige aan.

Op 17.02.2006 legt de gerechtsdeskundige een verslag neer dat niet onverdeeld gunstig is voor onze cliënt.

De eisende partij (Vereniging van Mede-eigenaars) laat daarna niets meer van zich horen.

In 2015 wordt de Vereniging van Mede-eigenaars plots wakker en vraagt zij aan de rechtbank dat er over haar in 2002 ingestelde eis een uitspraak zou gedaan worden.

Zij vordert op dat ogenblik nog steeds de ontbinding van de aannemingsovereenkomst ten laste van onze cliënt, de terugbetaling van de aannemingssom ten bedrage van 206.936 EUR, meer intresten sedert 2002, een schadevergoeding van 20.000 EUR als contractbreukvergoeding en 30.000 EUR wegens onderhoudskosten en mingenot van de parkings, meer intresten en alle proceskosten.

In een vonnis van 25.03.2016 is de rechtbank van oordeel dat de eiser gedurende meer dan negen jaren heeft stilgezeten nadat hij beschikte over het deskundig verslag dat reeds dateerde van 17.02.2006.


De rechtbank beslist vervolgens dat door dit langdurig stilzitten onze cliënt (de aannemer) niet meer in de mogelijkheid was om de vaststellingen van de destijds aangestelde deskundige op een gefundeerde wijze te weerleggen of te bekritiseren.

Volgens de rechtbank is het vorderen van een bijkomende expertise niet meer mogelijk omdat de ondergrondse parking intussen verder is aangetast door betonrot met bijkomende insijpelingen tot gevolg.

Blijkbaar heeft de parking volgens de rechtbank ook een andere bestemming gekregen waardoor de actuele ernst van de oorspronkelijke problemen in vraag moet gesteld worden.

De rechtbank komt door het inroepen van het procesrechtsmisbruik door onze cliënt tot het volgende besluit :

“Van een normaal, zorgvuldig en redelijke houder van een recht mag worden verwacht dat hij binnen een redelijke termijn zijn vordering benaarstigt.  Uit het bovenstaande blijkt dat de eisende partij dit niet heeft gedaan. 

Na meer dan 13 jaar na het uitbrengen van de dagvaarding en meer dan 9 jaar na het neerleggen van het definitieve verslag van de gerechtsdeskundige, zonder dat enige aanmaning of kennisgeving werd verstuurd aan de aannemer, kan niet langer gesteld worden dat de eisende partij haar vordering heeft uitgeoefend binnen een redelijke termijn.

Gelet op haar houding dient zij thans te worden afgewezen van haar vordering.”

Uiteraard moet deze zeer gunstige uitspraak voor de aannemer gekaderd worden.

Voor de aannemer is dit een godsgeschenk na zovele jaren van onzekerheid.


De vraag is echter of de sanctie die de rechter in concreto heeft toegepast de toets van ons Hof van Cassatie zal doorstaan.

Zoals de auteurs in het Liber Amicorum Marc Boes na analyse van de rechtspraak en rechtsleer besluiten kan een geding weliswaar niet verjaren.

Een procespartij echter dwingen zich opnieuw te verdedigen in een zaak die men zelf jarenlang of zelfs decennia lang niet heeft benaarstigd kan een houding zijn die abusief is.

In dergelijk geval kan de rechter, op verzoek van de benadeelde partij, de uitoefening van de rechtsvordering beperken en desgevallend de rechtspleging vervroegd afbreken.

Ik zou bij wijze van besluit hieraan toevoegen : “de vordering als ongegrond afwijzen”, en besluiten dat het aan uw advocaat behoort om de rechter te vragen in specifieke zaken het procesrechtsmisbruik te beoordelen en er de sanctie aan te koppelen die ofwel kan leiden tot het geheel of het gedeeltelijk ongegrond verklaren van de initiële vordering.


Welke sanctie de rechter zal toepassen is uiteindelijk afhankelijk van de concrete situatie in elk dossier.

Is het oude spreekwoord “luiheid is het oorkussen van de duivel” dan toch nog actueel in ons recht?

 

Arne VAN DER GRAESEN

advocaat.