Belastingreglement onderbenutte bedrijfskavels – iedereen dan toch gelijk voor de wet?

In deze bijdrage wordt een recente uitspraak van de Limburgse rechtbank van eerste aanleg, afdeling Hasselt van 11 februari 2016 toegelicht, waarbij een beroep tegen een ‘aanslag voor onderbenutte bedrijfsgrond’ op basis van een gemeentelijk belastingreglement gegrond wordt verklaard, deze aanslag vervolgens wordt vernietigd - en dit alles onder de argumentatie dat het reglement onwettig is wegens schending van de grondwettelijk gewaarborgde gelijkheid.

Onderbenutte bedrijfsgronden zijn sinds lang een doorn in het oog van verschillende gemeenten. Niet zelden verwijt de overheid de grondeigenaar te willen speculeren op een prijsstijging van de grond. Een goed gebruik van de beschikbare ruimte dreigt zo ondergeschikt te worden gemaakt aan geldgewin. Eén van de instrumenten om deze speculatie tegen te gaan, vormt een gemeentelijk belastingreglement. Op die manier kan de eigenaar/speculant worden getrakteerd op (forse) heffingen voor onderbenutte bedrijfsgronden, en wordt hij ertoe bewogen om deze gronden terug beschikbaar te stellen op de vrije vastgoedmarkt.

Eén van de kritieken van de eigenaar van een bedrijfsgrond (die werd geconfronteerd met een gemeentelijke heffing) ligt in het feit dat het belastingreglement in kwestie in een uitzondering voorziet voor gronden in eigendom van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, erkende huisvestingsmaatschappijen, agentschappen van de gemeente en de dienst Scheepvaart. Deze gronden waren volgens het reglement van de belasting vrijgesteld.

De eigenaar was het niet eens met deze ongelijkheid, en kaartte voor de rechtbank aan dat het belastingreglement in strijd was met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank is gevolgd in deze argumentatie. Noch uit de tekst van het belastingreglement, noch uit het administratief dossier heeft de rechtbank een motivering teruggevonden waaruit blijkt waarom een vrijstelling voor de belasting kan worden verleend aan de genoemde overheden.

Volgens de rechtbank heeft de belasting een financieel doel, nl. de financiële toestand van de gemeente, en bestaat er in het licht van deze doelstelling geen objectieve en redelijke verantwoording voor de vrijstelling. Om die reden oordeelde de rechtbank dat het belastingreglement onwettig is. De aanslag in de gemeentebelasting op onderbenutte bedrijfskavels van onze cliënt wordt vernietigd.

Het vonnis verdient alle bijval. Het kan niet de bedoeling zijn dat overheden belastingreglementen in het leven roepen waar quasi automatisch een vrijstelling wordt ingebouwd voor andere publieke overheden. Het voorzien van vrijstellingsregimes is enkel mogelijk indien daar een goede verantwoording tegenover staat. In deze zaak komt de rechtbank tot de terechte conclusie dat het belastingreglement op dit punt in gebreke blijft.

Volledigheidshalve merken wij op dat nog andere kritieken aan de rechtbank werden voorgelegd, maar dat deze niet werden onderzocht. Deze kritieken hadden onder meer betrekking op de bevoegdheid van de gemeente om het reglement vast te stellen, op de wijze waarop vaststellingen werden verricht door de gemeente en op de berekeningsbasis, maar daarover heeft de rechtbank zich dus niet uitgesproken. Omdat de rechtbank tot de schending van het gelijkheidsbeginsel besloot, en ons op basis van dit argument in het gelijk stelde, vond de rechtbank het overbodig om ook deze argumenten inhoudelijk te onderzoeken.

De gemeente in kwestie kon het oordeel van de rechtbank maar moeilijk verkroppen, en tekende hoger beroep aan tegen het vonnis van 11 februari 2016. De zaak wordt op dit ogenblik verder behandeld voor het Antwerpse hof van beroep, die het dossier opnieuw zal onderzoeken en tot een eigen beoordeling zal komen. Het laatste woord hierover is bijgevolg nog niet gezegd!

 

Joris Gebruers

Advocaat